Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een dure verplichting, en dat samenzijn, door het plengen van offers op het altaar van Dionysos gewijd, droeg dan het karakter van een nationaal-godsdienstige plechtigheid. „Kunst is geen regeeringszaak", dit woord van een vermaard Nederlandsch staatsman zou de ooren der Grieken beleedigd hebben als een schrille uiting van allergrofste barbaarschheid. Kunst was het allereerste, het meest voor de hand liggende, dat door ieder individu ter harte werd genomen van kindsbeen af tot den laatsten snik toe, en dat ook van regeeringswege het eerst en het meest werd gesteund en bevorderd.

Zulk een levensopvatting onderstelt een volstrekte afwezigheid van arbeidsdwang, een voornaam ledig zijn, wat heel iets anders is dan het geblaseerd nietsdoen van den in rijkdom zwelgenden leeglooper. In dien eisch der Grieken, om zonder den druk van den dagelijkschen arbeidslast, die bij slaven past, in voorname ongedwongenheid het leven in al zijn uitingen tot een kunstwerk te adelen, vindt Aristoteles den stevigsten bewijsgrond voor het handhaven van de slavernij.

Wanneer, zoo redeneert hij, het mogelijk zou kunnen zijn, dat ieder werktuig zich op bevel van den meester in beweging ging zetten, dan zou die meester geen slaven meer noodig hebben. En Antipater van Sidon, Cicero^ tijdgenoot, begroette de uitvinding der graan-watermolens als den eersten stap op den weg, die naar de afschaffing der slavernij, straks naar de gouden eeuw zou leiden.

Als die bereikt was, zou voor zwoegen en tobben geen plaats meer zijn en zouden allen leven, waarachtig leven, omdat bet leven werken zou zijn, volstrekte openbaring van levenskunst, niet langer belemmerd en ontsierd door den vernederenden, menschonteerenden, drukkenden last des arbeids, die geen vrijheid duldt en slavenzielen kweekt.

In zijn -standaardwerk; „De Socialisten" wijst Prof. Quack op den eerbied voor de Schoonheid, die een grondtrek van het Grieksche volkskarakter uitmaakte, dat steeds ademde in het trotsche genot der volmaakte, vrije menschelijkheid. En terecht herinnert hij dan

Sluiten