Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als een machtige, forsche boom is opgegroeid, zijn wij voldoende voorbereid om den inhoud van dit voornaamste der politieke geschriften van Plato nader te beschouwen.

In de reeks der dialogen, waaruit de „Politeia" bestaat, is het op nieuw Sokrates, dien Plato tot den vertolker zijner denkbeelden heeft gekozen.

Wij verplaatsen ons in gedachten in het Athene der vierde eeuw vóór onze jaartelling, en wandelen op een zonnigen dag met Sokrates en Glaukus zachtkens op naar de haven van den Piraeus, om de processie der burgers te zien, die zich opmaken ter viering van een der vele godsdienstig-nationale feesten, die in het publieke leven der stad zulk een voorname rol vervullen. Daar ginds bij de haven treden wij met hen het gastvrije huis van Kephalus binnen en in dien vertrouwelijken kring brengen wij den avond door, om er Sokrates te bewonderen wegens de scherpzinnigheid en de overtuigingskracht zijner ongeëvenaarde redeneeringen. Aanvankelijk loopt het gesprek tusschen Sokrates en zijn vrienden over de vraag, wat gerechtigheid en wat ongerechtigheid is, en de slotsom, waartoe het breed opgezette onderzoek leidt, is deze: de gerechtigheid bestaat daarin, dat ieder het zijne doet. De handwerksman en de landbouwer houden zich derhalve bij hun bedrijf; elk burger vervulle nauwgezet de hem voorgeschreven plichten; wien leiding en bestuur is toevertrouwd, geve bevelen en voorschriften; wie heeft op te volgen en uit te voeren, gehoorzame en volbrenge; elk zij bekwaam en geschikt voor zijn levenstaak en kwijte zich daarvan getrouw, nauwkeurig en volvaardig, zonder aarzeling of tekortkoming, ten allen tijde. Wanneer dan aldus door ieder zonder onderscheid of uitzondering het rechte wordt gedaan, datgene, wat hij behoort te doen, wanneer ieder derhalve mag beschouwd worden als te zijn de rechte man op de rechte plaats, dan zal ook de geheele samenleving in de veelsoortigheid van haar geledingen het verrukkelijk schouwspel te zien geven van een grootsch organisme, waarin de gerechtigheid onbeperkt heerscht.

Hieruit volgt noodzakelijk, dat alle ongerechtigheid hierin bestaat,

Sluiten