Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

getast. En toch zouden wij ons vergissen, wanneer wij in Plato niets anders zagen dan het type van den verstokten reactionair; want, wel bezien, is er, ondanks zijn voorliefde voor veel, dat oud en verouderd scheen, zelden iemand geweest, die, meer dan hij, radicaal met het oude gebroken heeft en van nieuwe toestanden heeft geprofeteerd.

De ideale staat, zooals die in de Politeia wordt geschetst, is geen statenbond of wereldrijk; want alleen de kleine staat, de „polis", de stad staat, is door zijn aan bepaalde grenzen gebonden omvang geschikt om het kader te leveren voor een ideaal ingerichte menschehjke samenleving. De ideale staat mag noch te groot, noch te klein zijn; groot genoeg, om de idee der gerechtigheid ten volle tot openbaring te brengen: doch klein genoeg, om een organische eenheid te zijn, door éénen wil beheerscht. Die eenheid van wil is de quintessence van een gezond staatkundig leven. Zij hangt ten innigste samen met de eenheid van inzicht. Want, we weten het immers, Plato is een leerling van Sokrates, en daarom gelooft hij, dat de mensch slechts wil en doet, wat hij als goed erkent, en dat het slechte willen en doen gevolg is van gebrek aan inzicht, van een verkeerde meening aangaande den waren aard van het waarachtiggoede. „Niemand handelt opzettelijk verkeerd", deze gedachte wordt door Plato herhaaldelijk uitgesproken. Zal er dus in de menschehjke samenleving eenheid van willen en handelen zijn, — en hierop berust het welzijn van den staat, — dan kan die eenheid op niets anders berusten dan op eenheid van overtuiging. Die overtuiging mag, zooals van zelf spreekt, niet de geliefkoosde meening zijn van dezen of genen, maar zij moet berusten op de ware kennis aangaande het hoogste goed. Die kennis is en blijft eeuwig dezelfde; want zij ligt rotsvast verankerd in de onbeweeglijke, onveranderlijke wereld van het Eeuwig Zijnde.

Het pad, dat tot die kennis voert, wordt alleen door den wijsgeer bewandeld en daarom, zegt Plato, zal aan de ellende der menschen geen einde komen, tenzij de heerschers philosofen of de phdosofen heerschers worden. Niet de wü of de meening van dezen

Sluiten