Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In den welgeordenden staat zijn derhalve volgens Plato drie standen volstrekt onmisbaar, te weten: i°. de arbeiders in den uitgebreidsten zin des woords, onder wie dan begrepen zijn allen, die arbeiden in landbouw, handel en bedrijf en zoodoende voorzien in de materiëele behoeften der burgers; 2°. de „wachters," die in den staat de orde hebben te handhaven en hem hebben te verdedigen tegen alle buitenlandsche gevaren, en 30. de „leiders en heerschers," die hebben te bevelen, te leiden en te regeeren. Telt de stand der „handwerkers" zijne leden bij duizenden, die der „wachters" bevat allicht slechts even zooveel honderden, die der „heerschers" slechts evenveel tientallen. Hoe gewichtiger de taak is, des te geringer het aantal, dat de roeping heeft haar te volbrengen. En alleen aan de allervoortreffelijksten, aan de „aristos", mag de opperste leiding worden toevertrouwd.

Het valt licht in te zien, dat de drie genoemde standen, wat hunne te vervullen functie betreft, volmaakt overeenkomen met de drieërlei functie der zinnelijk-begeerende, der moedig-willende en der redelijk-denkende ziel, welke wij bij de behandeling der Platonische psychologie hebben aangetroffen. De mensch is een staat in het klein, de staat is een mensch in het groot. Bij den enkelen mensch behoort de rede den wil te leiden, opdat aldus de zinnelijkheid aan het zedehjk willen onderworpen zij. In den staat behooren de wijsgeeren aan de moedige, krijgshaftige wachters leiding te geven, opdat de massa, die in de materiëele behoeften voorziet, niet de overmacht hebbe, doch voor het moreele overwicht zwichte, dat van de hoogere standen uitgaat. Aan hen die leeren komt de heerschappij en de beoefening der wetenschap toe; aan de krijgslieden de nauwgezette handhaving der wetten en de dappere verdediging des vaderlands; aan de arbeiders voegt het volstrekt te gehoorzamen, zich zonder voorbehoud te onderwerpen aan den wil der regeerenden en te voorzien in de materiëele behoeften der samenleving.

Aangaande den stand der „handwerkers" heeft Plato ons niet. heel veel meer te zeggen. Die stand moge onmisbaar zijn als fundament van het op te trekken staatsgebouw, maar de schoone

Sluiten