Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ideeënleer van Plato heeft Aristoteles op den duur niet kunnen bevredigen. Een waarachtige wereld van ideeën, en daarnevens een schijnwereld, die slechts in zoover werkelijk mag heeten, als zij aan de wereld der ideeën deel heeft, dit dualisme acht Aristoteles onhoudbaar, tenzij men hem begrijpelijk make, op wat wijze de wereld des schijns uit de wereld des zijns kon ontstaan. Tot recht verstand van de zinnelijk waarneembare individueele menschen, planten, dieren een bovenzinnelijke idee van den mensch, van de plant, van het dier aan te nemén, lijkt hem een volmaakt overtollige verdubbeling. Hij acht daardoor het karakteristieke onderscheid niet verklaard, dat tusschen de wereld der ervaring en die der ideeën valt op te merken, en dat daarin bestaat, dat de wereld der ideeën volstrekt onveranderlijk en de wereld der ervaring voortdurend in wording is, steeds onderworpen aan een proces van ontwikkeling. Dit karakter van steeds in wording te verkeeren, van een ontwikkelingsproces te ondergaan, wordt ook al niet verklaard door Plato's beweren, dat de dingen der ervaringswereld aan de ideeën „deel hebben". Dat deelhebben der zinnehjk waarneembare, steeds aan de veranderlijkheid onderworpen dingen aan de ideeën heeft voor Aristoteles geen zin, is voor hem onverklaarde mystiek. Toch loochent Aristoteles de werkelijkheid der ideeën niet. Ook voor bem staat vast, dat er voor de menigvuldigheid der zintuiglijk waarneembare verschijnselen en individuen bepaalde, vaste normen gegeven zijn, die als zoodanig den laatsten grond van hun bestaan uitmaken en die gekend dienen te worden om van dat bestaan eene verklaring te kunnen geven. Ook is hij met Plato overtuigd, dat de laatste verklaringsgrond voor de eigenaardigheid der natuurprocessen niet gelegen is in den mechanischen samenhang der dingen, doch te vinden zal zijn in het doel, waarop die processen in hun verloop gericht zijn, en dat dit doel geen ander kan zijn dan het volstrekt Goede. Ook voor hem is de wereld een samenhangend, welgeordend geheel, een groot organisme, op één geestelijk, goddelijk beginsel gegrond. Ook aan het grondbegrip der ideëen, namelijk dat zij

Sluiten