Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunstenaar. Daar staat vóór hem een blok marmer. Welke veranderingen zal dat blok ondergaan, hoe zal het er uitzien, als het de werkplaats van den beeldhouwer verlaat? Het antwoord op die vraag zal bepaald worden door de gedachte, die de kunstenaar in dat marmerblok verkiest te leggen. Indien het eene Apollosgestalte is, die in zijne verbeelding leeft, dan is door die kunstenaarsgedachte de richting aangegeven, waarin het wordingsproces, door i het marmer te ondergaan, zich zal voortbewegen. De grondslag van dit proces, de allereerste voorwaarde, die onmisbaar blijkt om het in gang te zetten, is de materie, het marmer. In de tweede plaats evenwel is onmisbaar de idee, die als vormende kracht de materiëele vormlooze onbepaaldheid van het marmer aanvat, ten einde in dit stoffelijk substraat tot uitdrukking te komen, in openbaring te treden.

j Ieder bepaald ding is derhalve een product van materie en vorm. Niet de vorm zelf wordt of ontstaat, doch onder de van hem uitgaande richting en stuur gevende inwerking wordt of ontstaat uit de materie het ding, dat den vorm in de algemeenheid van zijn wezen tot openbaring brengt. De vorm, als veroorzakende de uitbeelding van het type der soort, zweeft niet boven de materie of moet niet ondersteld worden te zijn in een ontoegankelijk gebied aan gene zijde van dat der materie; doch die vorm is een uitbeeldende kracht, die in de materie werkt. Bij het ontstaan van het ding is dus de vorm de actieve, de materie de passieve factor. Het behoort tot het wezen der materie, te zijn aangelegd op de mogelijkheid om vorm en gestalte te erlangen, te zijn voorbeschikt voor de inwerking van den vorm.

Wij verlaten het atelier van den kunstenaar en vestigen onzen blik op de natuur en op hetgeen daar wordt voortgebracht. Elk dier, elke plant is, in voltooüng gedacht, georganiseerde materie, materie, die gestalte is geworden. Of wil men het anders uitdrukken: elk dier, elke plant is gestalte, die volkomen is gematerialiseerd. Doch er valt nog te letten op een derden factor, door Aristoteles de uitwendige oorzaak genoemd. Leeft de Apollosgestalte in de

Sluiten