Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderkant der vaste-sterren-sfeer bevindt zich de sfeer der planeten. Zij is minder volmaakt dan de eerste; want zij staat verder van den eersten beweger af. Zij wordt niet onmiddellijk bewogen door de Godheid zelf, maar door bemiddeling van de opperste sfeer; zij vertoont dan ook niet de zuivere cirkelbeweging, maar een ongelijkmatig samengestelde beweging langs hellende banen. De aarde, die in het middelpunt des heelals rust, draagt in nog sterker mate het karakter van onvolkomenheid. Want de wisselingen en veranderingen, waaraan zij onderworpen is, worden veroorzaakt door de veelsoortigheid en de ongelijkmatigheid van beweging, die van de planetenwereld af op haar inwerkt.

Deze tegenstelling tusschen hemel en aarde, door Aristoteles in zwang gebracht, is later van groote beteekenis geworden voor het godsdienstig denken der middeleeuwsche menschheid. Hemel en aarde verhouden zich als het aetherische tot het materiëele, als het hoogere tot het lagere. Ook het hardnekkig zich handhavend geloof, dat de sterren de lotgevallen van menschen en volken

besturen, vindt zijn aanleiding in de leer van Aristoteles aangaande den invloed van den hemel der vaste sterren en der planeten op de wereld van het ondermaansche.

Het begrip natuur heeft bij Aristoteles een wijdere of engere beteekenis, naar gelang hij het toepast op het heelal of op het gebied der aardsche dingen. In beide gevallen geldt bij hem de definitie, dat natuur alles is, wat aan beweging en rust onderworpen is, en dat al wat natuur is, deel heeft aan stof en vorm, en binnen het gebied valt van ruimte en tijd. Maar de soort der materie en het karakter der beweging is voor beide terreinen- niet

hetzelfde. In het bovenaardsche, kosmische gebied heeft het actueele de overhand over het materiëele, de vorm over de stof. Ook de sterren zijn bewoond door bezielde wezens van hooger natuur dan die op aarde wonen. Aristoteles noemt hen „goden", want ook zij hebben deel aan den Goddelijken Geest en vermogen als zoodanig de stoffelijke wereld door hun denken , in beweging te zetten, al is dat denken niet van gelijken rang met het scheppend denken van den:, .demiure/os".

Sluiten