Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de samenstelling der deelen wordt het wezen des geheels niet bepaald; juist de bestaanswijze van die deelen zelf is afhankelijk van het vormend beginsel, van de „entelechie", waardoor het type van de soort bepaald wordt. De onderlinge aanpassing der deelen is niet de oorzaak, waarvan de aard van het geheele organisme als gevolg afhangt; maar door die aanpassing wordt de aard des geheels naar het uitwendige gekenmerkt. Het inwendige kenmerk, waardoor ieder orgaan naar zijn wezen wordt bepaald, is de graad, het gehalte, van zijn doelmatigheid in dynamischen zin. Wat als groei en wording aan eenig organisch wezen uitwendig zichtbaar wordt, is inwendig, als einddoel van zijn ontwikkeling, reeds in kiem en aanleg aanwezig.

Op het terrein van de zoölogie, de physiologie en de psychologie, derhalve van die wetenschappen, die zich op het gebied van het organische bewegen, is Aristoteles, niet alleen voor zijn tijd, maar ook voor een reeks van volgende eeuwen, een baanbreker geweest.

Wat de dierenwereld betreft, is zijn kennis van de onderscheiden soorten wel is waar nog zeer beperkt; maar toch mag zijn „zoölogie" betrekkelijk gelden voor een wetenschappelijke daad van groote beteekenis. Hij onderscheidt twee hoofdklassen: namelijk dieren, die bloed, en dieren, die geen bloed hebben, of beter gezegd, die slechts iets hebben, dat geen eigenlijk bloed is, maar op bloed gelijkt. Tot de eerste categorie behooren: de viervoetige dieren, ingedeeld in zulke, die levende jongen voortbrengen en zulke, die eieren leggen, vervolgens: de vogels, de visschen en de walvisschen. De tweede categorie wordt verdeeld in weekdieren,- weekschaaldieren, schaaldieren en insekten. Met deze indeeling tracht hij eene opklimmende rangschikking te verkrijgen, die bij de minst volkomen dieren aanvangt en eindigt bij den mensch. Eene eigenaardige plaats vervullen daarbij zekere overgangstrappen: zooals b.v.b. de aap tusschen de viervoetige dieren en den mensch, de krokodil tusschen de visschen en de eierleggende viervoeters, de kluizenaarskreeft tusschen de week- en de schaaldieren. Daarbij weet Aristoteles overal analogieën te ontdekken, die bevestigen, dat Tiet wereldgeheel

Sluiten