Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te vereenigen, te vereenzelvigen, zoo is de menschelijke geest, die louter denken en actualiteit is, bij machte heel het lichamelijk organisme met al zijn functies als hoogste en opperste beginsel te beheerschen zonder zelf bewogen of beheerscht te worden. Die actieve geest moge „deel der ziel" zijn, dat deel zal moeten worden opgevat, als van het organisme „gescheiden", als iets, dat van buiten af aan het organisme wordt toegevoegd, als een goddelijk bestanddeel, dat van bovenaardschen oorsprong is, en dat eeuwig blijft voortbestaan, wanneer het organisme met zijn levensverrichtingen en begeerten, zijn gewaarwordingen, waarnemingen, aanschouwingen, herinnerings- en phantasiebeelden, zijn meeningen en zijn practisch verstand te gronde gaat. Want de geest die zuiver denken is, heeft deel aan den eeuwigen goddelijken geest.

Hier wordt zoowel het sensualisme als het Platonisme overwonnen door het waarheidsbestanddeel, dat in beide schuilt, in hooger synthese te vereenigen. Aan het sensualisme wordt voorgehouden, dat, voorzoover de inhoud van het waargenomene een algemeen karakter draagt, die inhoud niet in den denkenden geest wordt ingedragen; doch dat de denkende geest dit algemeene aan de bijzondere waarnemingen ontleent of, wil men liever, aan het bijzondere der waarneming toevoegt. Aan het Platonisme geeft Aristoteles te verstaan, dat de geest de begrippen, die bij in aanleg bezit, niet subjectief in zich zeiven tot bewustheid zou vermogen te brengen, wanneer die begrippen niet als entelechieën in de waargenomen dingen aanwezig waren en naar aanleiding der waarneming daaruit konden te voorschijn gebracht en ontwikkeld worden.

. Zijn zin voor de empirie dwingt Aristoteles dan ook om toe geven, dat de geest niet volkomen zuiver denken is, dat hij ook medewerkt tot het vormen van meeningen en tot het treffen van wilsbesluiten, dat hij als verstand op het vergankelijke en eindige, als rede op het onvergankelijke en eeuwige is gericht.

Wie op theologisch gebied geen vreemdeling is, herkent in de antropologische theorieën van Aristoteles het stramien, waarop de

Sluiten