Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigenlijk al begeeren, zooals onlust niets anders dan negatief begeeren of weigeren is. Gevoel en zinnelijk begeeren zijn derhalve in den grond der zaak hetzelfde.

Het verstandelijk begeeren geschiedt door bemiddeling van het vroeger reeds ter sprake gebrachte practische denken. De aanschouwelijke voorstellingen, die voor dat practische denken het materiaal vormen, geven aanleiding tot een verstandelijke overweging, die uitmaakt, wat begeerlijk en "wat niet begeerlijk is, zoodat een besluit noodzakelijk moet volgen. In dit proces openbaart zich het eigenlijke willen. Ik kan dus niet willen, zonder mijn verstand te gebruiken. Het willen wordt echter eerst tot handelen door de beweging. ■ Wij weten reeds, dat Aristoteles nog niets vermoedt van hersenen zenuwwerking. Zuiver begripmatig, en dus buiten alle empirie om, onderscheidt hij ook hier, evenals bij het gewaarworden, drie factoren: een zuiver actieven factor, een deels actieven, deels passieven factor, en een zuiver passieven factor. De eerste is: het optreden van een voorstelling als een voor verwerkelijking vatbaar goed; de tweede is: het begeervermogen, dat door die voorstelling wordt gewekt en dat tevens in staat is door inwerking op het hart het psychophysisch organisme in beweging te brengen; de derde is: het lichaamsdeel, derhalve de hand, de voet, de mond, dat de beweging ten uitvoer brengt.

Omdat Aristoteles het beginsel der verantwoordelijkheid erkent, daarom houdt hij ook vast aan dat van de wilsvrijheid. Toch erkent hij evenzeer, dat elk willen bepaald wordt door motieven. Hij noemt den wil vrij, wanneer het motief, dat den doorslag geeft, niet van buiten komt, maar in de willende persoonlijkheid zelve geworteld is. De mensch wordt dan niet beheerscht door invloeden, die vreemd aan of strijdig zijn met zijn natuur, doch die natuur zelf geeft richting aan het willen. De willende mensch is zich dan volkomen bewust, dat hij wil en wat hij wil. Zelfs in geval het motief van buiten komt, is, volgens Aristoteles, de wil nog vrij, indien het van buiten komende motief, dat den doorslag geeft, in zijn strekking overeenstemt met het eigenaardig karakter, met de

Sluiten