Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den verborgen achtergrond der ideeën leert zien, waarvan die

dingen schaduwen en afbeeldsels zijn. En het is de macht van £-ros,

van ae naioniscne iieiue, uie aen mensen omuuui; vuai idiit;» uc

reeks van steeds volmaakter schoonheid openbarende gestalten

naar de opperste idee der-schoonheid, die de naar de zinnelijkheid

gekeerde zijde van de volmaakte waarheid is. De Platonisch

gerichte mensch tracht aan deze aardsche, onwerkelijke wereld te

ontkomen; hij is een vreemdeling op aarde, vol heimwee naar een

hemelsch vaderhuis. Zijn ziel is gericht op de contemplatie, niet

op de actie. Het concrete handelen wordt voor hem iets bijkomstigs, iets onbelangrijks. Deze wereld van schaduwen met al haar betrekkelijke schoonheid blijft voor hem een gevangenis, die hij niet heeft te verbeteren èn gezellig in te richten, maar die hij moet ontvluchten om te bereiken de wereld der wezenlijkheden en zich te baden in het volle zonlicht van het hoogste Goed.

Aristoteles' zedenleer is, — wij vermoeden het reeds! — van veelszins andere strekking. Daar hij de Platonische ideeënleer als zoodanig niet aanvaardt, bestaat voor hem wel de onderscheiding van lagere en hoogere wereld, doch niet in den zin eener volstrekte tegenstelling. De lagere wereld is meer dan een verbleekt schimmenrijk, dat alleen zijne beteekenis zou ontleenen aan de omstandigheid, dat in de vergankelijke dingen, waaruit het bestaat, de ideeën als symbolen heenschemeren. Integendeel, die ideeën zijn in de zichtbare dingen gelegd als potentiëele kracht, als „entelechie", en zij zijn bestemd om de werking dier „entelechie" te ondergaan, en aldus hunne waarachtige bestemming te bereiken. De idee moet in deze wereld gerealiseerd worden ; de zin der wereld moet openbaar worden in het proces van hare ontwikkeling. Derhalve is het niet de roeping des menschen aan de wereld der zinnelijkheid te ontkomen, doch haar te volmaken, opdat alzoo de idee, die de „entelechie" van zijn eigen wezen uitmaakt, tot volkomen openbaring worde gebracht.

Dus keert Aristoteles zich met nadruk af van de Platonische ethiek en nadert hij in zijn zedenleer tot de opvatting van Demokritus,

Sluiten