Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de rechte maat. Iedere deugd houdt het midden tusschen twee ondeugden: dapperheid is even ver verwijderd van roekeloosheid als van vreesachtigheid. Zelfbeheersching houdt het midden tusschen genotzucht en geestelijke stompzinnigheid; hooghartigheid tusschen opgeblazenheid en kleinmoedigheid; spaarzaamheid tusschen verkwisting en gierigheid.

De ethiek van Aristoteles verloochent aldus haar zuiver Griekschen oorsprong niet. Zij behoort thuis bij dat Helleensche volk, dat met zijn hoog ontwikkeld besef van het schoone en harmonische, het matelooze en excessieve als barbaarschheid beschouwde en het maathouden-in-alles het voornaamste kenmerk achtte, waardoor de Helleen zich van den vreemdeling onderscheidde. Het is de ethiek van den aristocratischen vertegenwoordiger van het Hellenisme der vierde eeuw, wiens handel en wandel steeds den stempel der voornaamheid draagt, en die vriendschap hooger schat dan liefde, omdat hij geen menschwaardiger bestaan kent, dan, in een -kring van gelijkgezinden, een volmaakt harmonisch, evenwichtig leven te leiden en aldus het ideaal te benaderen van den redelijk denkenden, verstandig handelenden mensch. Aan liefde, menschenmin, zelfverloochening, ootmoed, worden in deze ethiek geen plaats gegund. Het is wat Nietzsche zou noemen: eene echte „Herrenmoral."

De mensch is, volgens Aristoteles, een geboren staatsburger,,

een „zoon polrakon. Hij is van nature op de gemeenschap aangelegd. Als zedelijk wezen kan zijn aanleg eerst volkomen openbaar worden in de georganiseerde samenleving, in den staat. De Aristotelische ethiek vindt haar natuurlijke afsluiting en voltooiing in de staatsleer. De sophisten en anderen hadden beweerd, dat de staat niets anders deed dan de persoonlijke vrijheid beperken, en dat hij derhalve misschien een noodzakelijk kwaad, maar dan toch in elk geval een kwaad was. Aristoteles daarentegen is van oordeel, dat de staat voor den mensch een onmisbaar en allergeschikst orgaan is, om

het hoogste levensdoel te verwerkelijken en dat hij als instelling volkomen beantwoordt aan de wet, de „entelechie," die de ontwikkeling des menschen naar zijn aard en wezen bepaalt.

Sluiten