Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderscheiden. Antisthenes noemt dan ook de „AriKpm", dat is : de afwezigheid van alle inbeelding, het einddoel, waarnaar de redelijke mensch behoort te streven. De menschen zijn zoo vol van inbeelding, dat zij zelfs tusschen krankheid en gezondheid van geest slechts een conventioneele grenslijn weten te trekken. Als iemand, — aldus meent Diogenes, — den wijsvinger opsteekt, dan is het in orde; steekt hij den middelvinger op, dan houdt men hem voor gek. Derhalve is de grens tusschen gezond verstand en waanzin maar een vinger breed. Wie trekt het zich aan, als waanzinnigen luid te keer gaan ? Maar luide kreten van bijvalsbetuiging worden hoog gewaardeerd en toch zijn zij in den grond niets meer waard dan zulk een waanzinnige levenmakerij. Wat doet het er toe, op welk uur men eet of drinkt ? Als aan Diogenes gevraagd wordt, wanneer men behoort te ontbijten, dan antwoordt hij : „Indien ge rijk zijt, wanneer ge wilt; indien ge arm zijt, wanneer ge kunt." Waarom zou men zijn maaltijden niet houden op de markt ? Als het ontbijten, op zich zelf beschouwd, niet ongepast is, dan is het ook niet ongepast het op de markt te doen. Diogenes placht dan ook, — zoo wordt van hem verhaald, — alles te doen in het openbaar, zelfs die handelingen en verrichtingen, die gewijd zijn aan den dienst van de godin der liefde en aan die van den mesthoop, al gaf dit ook nog zooveel ergernis. Dat men zich aan dergelijke dingen ergert, berust volgens hem, louter op conventie. De menschen durven wel allerlei schandelijke dingen met name noemen, als daar zijn moord, diefstal en dergelijke ondeugden; maar wat betrekking heeft op het voldoen aan natuurlijke behoeften of op het geslachtsleven, durven zij nauwelijks aanduiden, laat staan er rondweg over spreken. Zoo verdwaasd zijn zij.

Zoo is het ook slechts inbeelding, wanneer men zich wijs maakt, dat het er iets toe doet, op wat wijze en door wien men na zijn dood zal begraven worden. Als aan Diogenes, die er geen bedienden op nahoudt, gevraagd wordt: „wie zal u uitdragen, als ge

dood zijt?" dan geeft hij ten antwoord: „hij, die mijne woning

Sluiten