Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in „goeden" en „slechten". Alle zedelijke afdwalingen zijn gelijk; wat in zedelijken zin juist is, kan evenmin eene veranderlijke grootheid zijn, als wat in logischen zin juist is. Een lijn, die niet volkomen recht is, is geen rechte lijn. Hij, die ééne stadie van Athene verwijderd is, bevindt zich evenmin te Athene, als "hij, die er 100 stadiën van verwijderd is. Tusschen deugd en ondeugd bestaat geen overgang, maar gaapt een afgrond. Aan de Stoa kan men dus niet ten laste leggen, dat zij met het ideaal geen ernst maakt. Wie het ideaal niet heeft bereikt, hij ligt nog in de boosheid, in de verdwazing, en een beetje wijsheid is niet voldoende om hem dichter bij dat ideaal te brengen. Alleen de wijze is vrij, is rijk, is schoon, is gelukzalig. Hij alleen is de rechte koning, de rechte veldheer, de rechte staatsman. Chrysippus stelt hem gehjk met den oppersten God, met Zeus. Ja, Seneca stelt hem zelfs boven God; want, zoo betoogt hij, God staat buiten lijden en kwaad, maar de wijze staat er boven. Hij is de zon, die door geen pijl getroffen wordt; zijne ziel is gehjk aan de wereld boven de maan, want in haar is het altijd mooi en helder weer. De wijze is dan ook in het ondermaansche een zeldzame verschijning; misschien zijn er twee wijzen geweest, misschien ook maar één. Evenals de vogel Phoenix wordt hij maar eenmaal in de 500 jaar geboren.

Bij Epiktetus vinden wij dezelfde volstrekte tegenstelling. Volgens hem zijn de wijzen de waarachtig „levenden", de dwazen zijn de „dooden". Groote daden, die niet uit de rechte gezindheid voortvloeien, zijn zonder zedelijke waarde, zooals b.v. de doodsverachting der „Galileeërs", der christenen. De wijze is zich zeiven volkomen genoeg, de dwaas kan de eenzaamheid niet verdragen.

Wij vinden ons hier geplaatst voor een dilemma, zoo ernstig, dat het wel geschikt is den mensch tot nadenken te stemmen en tot zich zelf te doen inkeeren. Aan de eene zijde dreigt het gevaar, door de Stoa zoo goed ingezien, namelijk dit, dat wie met het ideaal transigeert en zich met een betrekkelijk quantum zedelijkheid tevreden stelt, dat ideaal daarmede den doodsteek toebrengt en de waarachtige zedelijkheid prijsgeeft. Maar van de andere zijde dreigt

Sluiten