Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stoa den inhoud van het ethische ideaal opvat. De kern der Stoïsche leer bestaat hierin, dat de mensch innerlijk vrij behoort te zijn. „Slechts de wijze is vrij; iedere dwaas is een slaaf." „Slechts wat zedelijk recht en zuiver is, is aan te merken als een waarachtig goed." „Voor den wijze bestaat geen kwaad, want hij heeft het kwaad overwonnen". Seneca verkondigt in plechtige woorden: „Wanneer wij eenmaal uit deze bezoedelde laagte des levens tot die steile verheven hoogte opgevoerd zijn, dan wacht ons daar de rust des gemoeds en, nadat wij van alle dwalingen zijn verlost, de volkomen vrijheid. Wat dat beteekent, vraagt gij ? Noch de menschen te vreezen, noch de goden. Niets onreins te willen, en niets, dat de rechte maat overschrijdt. Zich zelf volkomen meester te zijn, want meester over zich zelf te worden is een onschatbaar goed."

Nu kunnen we wel zeggen: die Seneca had mooi praten; maar die verheven uitspraken werden niet door de practijk van zijn leven gedekt. Als keizerlijk hofphilosoof maakte hij een tamelijk jammerlijke figuur. Welnu, laat ons dan luisteren naar Epiktetus, wijsgeer in het slavenkleed, die Marcus Aurelius tot leerling had, en van wien men niet beweren kan, dat hij met de zaak, die hij voorstond, geen heiligen ernst maakte. Bij hem lezen we: „Als het waar is, en geen ijdel geklap of huichelerij, wanneer wij beweren, dat goed en kwaad in 's menschen wil gelegen zijn, en dat al het andere ons niet aangaat, waarover zullen wij ons dan nog opwinden of druk maken ? Wat hebben we dan nog te vreezen ? Waarom het eigenlijk gaat, dat is in niemands macht. Wat echter in de macht van anderen is, daarover bekommeren wij ons niet. Welk onheil of leed kan ons nog treffen?" .

„Breng tot mij een jongen mensch, die met dat doel bij mij in de leer wil gaan en naar dien prijs wil dingen en zeggen: al het andere moge gaan, zooals het wil, mij zal het genoeg zijn, wanneer ik ongehinderd en zonder smart kan voortleven, alle dingen trotseerende als een vrije mensch, ten hemel opziende als een vriend Gods, zonder vrees voor iets, dat mij zou kunnen treffen." Nog duidelijker vinden we de echte Stoïsche gezindheid geschetst

Sluiten