Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wezens is het vergund, zich voor de wisselingen des lots gehoorzaam te buigen met vrijen wil; het buigen op zich zelf is noodzakelijk voor allen."

Indien wij echter mochten meenen, dat de Stoa niets dan lijdelijke overgave predikt, dan vergissen wij ons en doen haar niet ten volle recht. Zij predikt niet de werkelooze, willooze overgave, zonder meer. Ik mag wel, zoo leert zij, trachten om wat ik natuurlijk en goed acht te verwerkelijken; maar wordt het, ondanks dat trachten, niet verwerkelijkt, dan mag ik, datgene, wat dan wèl werkelijkheid wordt, niet anders wenschen, dan het is.

Zal de mensch innerlijk vrij worden, dan moet derhalve het begeeren een andere gestalte verkrijgen; het moet worden omgezet in een universeele, alles omvattende affirmatie van de levenswerkelijkheid; één groot beamen van het feitelijk gebeuren, als door mij gewenscht. Hoe komt die omschepping van het begeeren tot stand? We weten het reeds, dat daartoe aan twee voorwaarden moet voldaan worden. i°. Elke levenservaring moet steeds worden opgevat als een integreerend deel van het groote Alleven, nimmer als een afzonderlijk feit, dat van dat Alleven zou kunnen worden losgedacht en losgemaakt; 2°. dit Alleven, dat als majestueuse, alles omvattende totaliteit zich in elke bijzondere levenservaring openbaart, moet de mensch leeren aanvaarden met vreugdevolle affirmatie. Het is juist hetzelfde wat Spinoza leert, wanneer hij zegt, dat wij alle dingen hebben te beschouwen „sub specie aeterni," dat is, van uit het gezichtspunt der eeuwigheid.

We vernamen reeds, dat die eenheid des heelals in drievoudige beteekenis door de Stoa als een fundamenteel dogma wordt geleerd. En daar zij predikte, dat die eenheid in hare veelvuldigheid van samenstelling vreugdevol aanvaard behoort te worden, lag daarin opgesloten, dat de grondstemming van het Stoïsche gemoed optimistisch moest zijn. Het enkele ding, de enkele ervaring moge, op zich zelf beschouwd, tot ergernis of droefheid stemmen, de waarlijk wijze mensch vat steeds het enkele ding, de enkele ervaring op als onlosmakelijk bestanddeel van den ganschen kosmos, die louter

Sluiten