Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij trachten moet, ethische vorderingen te maken en achteruitgang op ethisch gebied te vermijden. Maar nu verliest dit streven zijne beteekenis, omdat de Stoa niet vraagt: wat moet ik doen om wijs te worden} maar: wat zou ik doen, als ik wijs wasi Alle streven naar het ideaal blijft bevangen en begrepen binnen den kring van het onvolmaakte en wordt, naar den maatstaf van het ideaal beoordeeld, bevonden ten eenenmale dwaas, en dus niet-zedehjk te zijn. De tegenstelling luidt derhalve aldus: ik ben wijs en dan doe ik als een wijze en heb derhalve geen behoefte aan zedelijke voorschriften ; of wel: ik ben niet wijs en dan is het opvolgen van de voortreffelijkste voorschriften vergeefsch; want dat zijn maar vruchtelooze pogingen ter bereiking van een ideaal, dat inderdaad onbereikbaar moet worden geacht.

Nog nadrukkelijker doet het bezwaar zich gelden, dat in dit dilemma ligt opgesloten, wanneer men vraagt: hoe behoort de innerlijk vrije mensch te handelen jegens zijn medemenschen?

De wijze mensch, — we weten het reeds! — is onafhankelijk van het lot. Verlies van eer, goed, gezondheid, leven, het kan hem eigenlijk niet deren; rampen en kwaad zijn voor hem te niet gedaan; want aan deze dingen is geen waarachtige waarde toe te kennen. Doch daaruit volgt, dat hij ze niet mag beschouwen als hebbende waarachtige waarde voor anderen, voor zijn medemenschen. Gesteld, hij tast door zijh handelingen eer of goed, gezondheid of leven van zijn medemenschen aan, dan zal hij hun, aldus doende, geen werkehjk nadeel toebrengen of schade berokkenen. Want alles waarover hij macht heeft, is voor hen iets uitwendigs, iets, dat niet tot hun eigenlijk wezen behoort; en al, wat voor hen van wezenlijke, innerlijke waarde is, te weten de echte deugd, het ware inzicht, de echte blijmoedigheid, dat kan hij door zijn handelen niet aan het wankelen brengen.

Daaruit moet derhalve noodzakelijk volgen, dat, van het standpunt der innerlijke vrijheid gezien, de wijze mensch kan en mag handelen zooals hij wil, zoowel ten opzichte van zich zelf als van anderen, en dat al zijn handelingen van gehjke ethische waarde zijn.

Sluiten