Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het op die kennis berustende in-gang-zetten van dat handelen.

Iemand heeft hetgeen de Stoa bedoelt aldus geformuleerd:

„Alles doen om datgene te verlangen, wat met de natuur overeenkomt, ook wanneer wij hét niet bereiken, dat is volgens de Stoici zedelijk, als zijnde waard om zijns zelfswil begeerd te worden en het eenige waarachtige goed."

De hier voorgedragen Stoïsche theorie is niet zoo gemakkelijk te volgen; zij is vaak misverstaan, in dien zin, dat men haar ten onrechte noemde „eene verzachting van het zedelijk idealisme" der Stoa, en aan de Stoïsche moraal verweet, dat zij dezelfde dingen nu eens voor „waardevol, dan weer voor indifferent verklaart."

Dat verwijt treft evenwel de echte Stoïsche leer niet; wanneer men maar in het oog houdt, dat die leer berust op de erkenning van eene tweevoudige schaal van waarden, namelijk : de op traditie berustende biologisch-moreele, en de aan het ideaal van den wijze ontleende ethische. Volgens de laatste zijn eer, eigendom, gezondheid, leven, macht dingen, waaraan door den wijze geen zedelijke waarde mag toegekend worden; doch diezelfde wijze vermag niet te handelen in ethischen zin, tenzij hij van de onderstelling uitgaat, dat de genoemde dingen levenswaarde hebben voor de medemenschen, met wie hij, al handelende, te doen heeft. Is de wijze mensch b.v. staatsman, dan zal hij als staatsman zijne handelingen aldus inrichten, alsof rijkdom, eer en gezondheid waardevolle goederen waren. Want anders zal hij de staatsmanskunst niet naar behooren kunnen uitoefenen. Deze toch bestaat in het handhaven van de gerechtigheid en de gerechtigheid berust op de onderstelhng, dat aan de uitwendige dingen, zooals rijkdom, eer, enz. eene op de traditie berustende levenswaarde behoort te worden toegekend.

Trouwens onze moraal van de twintigste eeuw vertoont hetzelfde dualisme. Wanneer ik een groot bedrag aan geld kom te verliezen en ik vermag dan dat verlies te beschouwen als iets bijkomstigs, als behoorende tot die groep van dingen, die voor den wijzen en zedelijken mensch indifferent zijn, zoodat ik dat verlies met blijmoedige gelatenheid aanvaard, dan zal men mij een hoogstaand

Jansen. Geschiedenis der Wijsbegeerte. *6

Sluiten