Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch noemen; maar als ik nu op grond van de overweging, dat geld en goed indifferente dingen zijn, diezelfde belangrijke som aan mijn medemensen ontneem, dan ben ik een roover en een dief. Als men mij belastert en ik verdraag dat met blijmoedige gelatenheid, dan wordt ik geprezen als een goed christen; maar als ik een ander in zijn goeden naam aantast, dan geld ik voor een eerroover.

Gesteld nu dat een Marsbewoner ons bezocht en de vraag stelde: geldt onder ulieden, aardbewoners, de eer voor een goed, voor iets dat waarde heeft? Dan zou ons antwoord moeten luiden: Geen goed in dien zin, dat de wijze er over zal tobben, wanneer hij zijn eer verliest; doch wel in dien zin, dat de menschen van nature op het bezit van eer prijsstellen en daarom dan ook van den wijze verwachten, dat hij hun die eer niet zal ontrooven.

Naar de opvatting der Stoa staat de wijze zoo hoog, dat hij van al datgene, wat de mensch van nature als waardevolle levensgoederen beschouwt, afstand heeft gedaan voor zich zeiven. Zijn wenschen en streven is niet meer op die dingen gericht; maar waar het zijn willen en handelen betreft, respecteert hij diezelfde dingen als levenswaarden voor anderen. Hij is niet aan rijkdom gehecht, doch hij erkent de betrekkelijke waarde van den rijkdom boven de armoede. Hij gevoelt geen medelijden, maar hij helpt, wanneer anderen in nood verkeeren; want juist dat hulpbetoon maakt hem openbaar als wijze. Volgens de Stoïsche levensopvatting heeft de handeling zelve beteekenis, niet datgene wat door die handeling wordt bereikt.

Deze opvatting kan met tal van uitspraken gestaafd worden. M arcus Aurelius zegt: „De eerzuchtige kent waarde toe aan hetgeen een ander doet; de genotzuchtige aan hetgeen hij zelf lijdelijk ondergaat; de wijze hecht slechts waarde aan zijn eigen handelen."

En Seneca: „Ge meent, dat de wijze gekweld wordt door rampen en kwaad? Neen, zeg ik u, hij gebruikt ze. Phidias arbeidde niet uitsluitend met het kostbare ivoor, maar ook met het goedkoope marmer; zoo zal de wijze, waar het kan, zijn voortreffelijkheid openbaren in den rijkdom; maar, als het moet, ook in de armoede."

Sluiten