Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten dienst doen om het zonderling samenweefsel te vormen, dat den wijze tot richtsnoer zal verstrekken bij zijn uitwendig doen. Daarbij bjeef ten onrechte buiten beschouwing, dat liefdevolle toewijding en spontaan scheppingsvermogen de beide beginselen zijn, waarin het vrije handelen oorsprong en wortel vindt. Wel wordt door de jongere Stoa, vooral bij monde vau Marcus Aurelius; veel van liefde gesproken; maar die Stoïsche liefde," die zich openbaart in „hulpbetoon zonder medelijden", is slechts eene manier van uitwendig zich gedragen, doch niet eene openbaring van onweerstaanbare kracht, die uit het binnenste opwelt en uitstroomt naar alle zijden. De Stoa kan het dan ook niet verder brengen dan tot een bescheiden besef van „blijmoedigheid" ; doch, het echte enthousiasme blijft haar vreemd. De Stoïsche wijze is de incarnatie van de zedelijke norm. Maar hij vermag slechts waarden te produceeren, die voor hem zelf niet als echte waarden kunnen gelden. Hij bevordert de eer, den roem, het voordeel, de gezondheid, het geluk van zijn medemenschen; maar van alle begeerte naar eigen eer, roem, voordeel, gezondheid en geluk heeft hij volkomen en voor altijd afstand gedaan. Er bestaat daarom tusschen hem en het voorwerp, waarop zijn handelen is gericht, niet die innige relatie, die den liefhebbende met zijn geliefde, den scheppenden kunstenaar met zijn kunstwerk verbindt. Die laatsten handelen, gedreven door de onweerstaanbare kracht, die uit hun binnenste welt, een kracht, waarin zich hun diepste wezen openbaart. Daarom is hunne gebondenheid inderdaad de hoogste vrijheid. De Stoïsche wijze daarentegen handelt volgens een hem van buiten opgelegden regel; daarom is zijn doen inderdaad niet volkomen vrij, maar gebonden. Vandaar, dat de Stoïsche ethiek, in weerwil van al haar voortreffelijkheid, op de keper bezien, een poveren, armelijken indruk maakt. Het persoonlijke Ik is hier niet tot verlossing gekomen, niet waarachtig vrijgemaakt, veeleer onderdrukt, verstikt en gedood om plaats te maken voor de wet eener onpersoonlijke formule. Daarom is de grondtoon der Stoïsche stemming ten slotte toch maar de resignatie en niet de regeneratie.

Sluiten