Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beste; het is niet goed, hem niet te genieten." — Toen hij berispt werd om de liefdesbetrekking, waarin hij tot Laïs, de bekende schoone hetaere stond, was zijn antwoord: Ik bezit, maar ik word\ niet bezeten." — En toen hij het huis eener hetaere binnentrad en een van de hem vergezellende jongeheden zich schaamrood afwendde, sprak Aristippus: „Het huis binnentreden is niet erg, maar wel het niet meer kunnen verlaten."

Wie tegen zulk een levensopvatting als bezwaar aanvoert, dat het onmogelijk is ergens genot in te vinden en dan niet het gemis ervan te betreuren, toont, dat hij Aristippus niet begrijpt. Dit bezwaar zou gelden, wanneer het genot berustte op de passieve bevrediging van een begeerte; maar het vervalt, wanneer de blijde stemming gepaard gaat aan de openbaring der persoonlijke activiteit, die in het zinnelijk object slechts een aanleiding vindt om naar buiten te treden. In de practijk heeft Aristippus dan ook getoond, dat voor het genoemde bezwaar geen grond was. Hij was even groot in het aannemen als in het weigeren. Dionysius, de tiran van Syrakuse, zond hem eens drie schoone slavinnen ter keuze; doch Aristippus was van meening, dat het Paris ook slecht bekomen was zulk eene keuze te doen; daarom nam hij ze alle drie mede; maar, aan de deur van zijn woning gekomen, het hij ze allen gaan. — Toen hij op reis was, zoo luidt een ander verhaal, — droeg zijn slaaf den geldbuidel en klaagde over den zwaren last. Toen sprak Aristippus: „laat vallen wat te veel is, en draag wat wat ge kunt." — Eens laat hij een patrijs koopen voor 50 drachmen. Als iemand op die geldverspilling aanmerking maakt, zegt hij: „gij zoudt er niet meer dan een obool voor betaald hebben, niet waar ? Welnu, even weinig zijn mij die 50 drachmen waard. — Ik ben niet verslaafd aan het genot; maar gij zijt verslaafd aan het geld."

Aristippus' soevereine houding ten opzichte van alle uitwendige dingen is een gevolg van zijn talent om zich aan alle mogelijke toestanden te kunnen aanpassen. „De wijsbegeerte", — zoo zegt hij, — „heeft mij geleerd met alles goedsmoeds, om te gaan. De wijze is nooit in verlegenheid". Toen hij aan her hof van Dionysius

Jansen. Geschiedenis dei Wijsbegeerte. „

Sluiten