Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verkeerde, verzocht hij op zekeren dag den tiran hem eene som gelds te schenken. Deze merkte op: „en ge hebt beweerd, dat de wijze nooit in verlegenheid is!" „Geef mij eerst het geld, en dan zullen we nagaan of mijne bewering onjuist was" — antwoordt Aristippus. En als Dionysius hem dan de gevraagde som schenkt, dan zegt Aristippus: „ziet ge nu wel, dat de wijze nooit in verlegenheid is."

Ons, modernen menschen, lijkt dit laatste geval een staaltje van tafelschuimerij. Volgens Aristippus echter doet de uitwendige handeling niets toe of af aan de waarachtige vrijheid en waardigheid van den mensch. Wanneer hij geld noodig heeft en een ander is bereid het hem te geven, dan zou het maar aanstellerij zijn het te weigeren. Aristippus noemt dat „ijdele schijn" en die „ijdele schijn" toont zeer nauwe verwantschap met de „inbeelding", die wij bij de Cynici hebben aangetroffen. In het verwerpen van alle conventie geeft Aristippus dan ook aan de Cynici niets toe. „Louter schijn" is het b.v.b. wanneer men er aanstoot aan neemt, dat iemand met eene hetaere omgang heeft, met wie reeds velen omgang gehad hebben; niemand ergert zich immers, als men op een schip vaart, waarmede reeds velen gevaren hebben, of in een huis woont, waarin reeds velen hebben gewoond. — Als hij van Dionysius geld ontvangt, is dat louter ruilhandel. Hij is gekomen om te geven, wat hij heeft, namelijk wijsheid, — en om te ontvangen, wat hij niet heeft, namelijk geld. Als Dionysius hem bespuwt, laat hij dat kalm toe, en als men hem daarover berispt, zegt hij: „als de visschers zich met zeewater laten besproeien om een heel klein vischje te vangen, waarom zou ik mij dan niet met door water verdunden wijn laten besproeien om zulk een grooten visch te vangen ? — Waarom zou men voor een tiran geen voetval doen; het is toch immers mijn schuld niet, dat Dionysius zijn ooren aan zijn voeten draagt?" — Eens beveelt Dionysius, dat Plato en Aristippus, die beiden aan zijn hof verkeeren, zich in purperen gewaden zullen kleeden en voor hem zullen dansen. Plato weigert dit en zegt: „nimmer zal ik mij in vrouwenkleeren hullen."

Sluiten