Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een goeden bekende. Wij kunnen hem dus wel op zijn woord gelooven, als hij betuigt: „Wanneer wij derhalve zeggen, dat lust het doehis, dan meenen wij niet de lusten der losbandigen, doch : niet ziek zijn van hchaam, en niet opgewonden van gemoed. Want het aangename leven bestaat niet in voortdurend drinken en smullen, niet in het genot van schoone jongelingen en vrouwen, van visschen en alles wat op een rijkvoorzienen disch wordt aangetroffen; maar wel bestaat het in nuchtere redelijkheid, die de oorzaken van elk verkiezen en verwerpen nauwkeurig nagaat, en de inbeeldingen verdrijft, die de zielen het meest in de war brengen".

Epikurus maakt er een geraffineerde studie van om al wa't onaangename gewaarwordingen zou kunnen wekken, te vermijden en daarentegen zijn talent van te genieten tot den hoogsten graad op te voeren. Roemzucht en liefde moet men zich van het lijf weten te houden, tusschen de onderscheidene lusten zorgvuldig weten te kiezen, en geringer smart weten te aanvaarden om zoodoende aan de grootere smart te ontkomen.

Al die doodnuchtere, platvloersche denkbeelden worden door Epikurus verkondigd op een plechtigen profetentoon. In zijn leerbrief aan Menoikeus schrijft hij: „Een jongeling aarzele niet te philosofeeren, en een grijsaard worde zulks nooit moede. Want niemand is te onrijp of te overrijp om naar de gezondheid zijner ziel te streven. Wie evenwel beweert, dat voor hem de tijd van philosofeeren nog niet is gekomen, of dat die tijd voor hem voorbij is, die is gelijk aan iemand, die zegt, dat het nog geen tijd, of dat de tijd voorbij is om gelukkig te zijn. Derhalve moge zoowel de jongeling philosofeeren als de grijsaard; de jongeling om, ouder wordend, jong te worden in het bezit van goederen, door de bekoring der doorleefde gebeurtenissen; de grijsaard, om, hoewel oud zijnde, toch jong te blijven door onbevreesd de toekomst tegemoet te gaan." „Wie meent ge wel, dat sterker is dan hij, die aangaande de goden een betamelijke meening koestert, ten aanzien van den dood alle vrees heeft afgelegd, het doel der natuur heeft begrepen en

Sluiten