Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook in Epikurus leeft het ideaal van den vrijen mensch; doch dit ideaal wordt slechts naar den schijn vervuld, niet in werkehjkheid. De werkehjkheid des levens wordt geïgnoreerd teneinde den levensstrijd te ontgaan. Daarom hebben de machten van staat en maatschappij voor het Epikurisme geen beteekenis. De Stoïsche wijsgeer was er op uit de wereld in te gaan om bekeerlingen te werven; hij geloofde aan de mogelijkheid van een staatsverband, dat in de oorspronkelijk goede natuur des menschen geworteld was. Mannen als Brutus en Cassius konden meenen als moordenaars van Caesar een lofwaardige daad te verrichten en Rome te verlossen van de tirannie der alleenheerschers en Cato kon er toe komen de hand aan eigen leven te slaan, toen hij de republiek voor altijd zag ondergaan. Doch Epikurus en de zijnen hadden geen staatkundig ideaal. Alle staateinstellingen, alle maatschappelijke regelingen waren, volgens hen, van tijdelijke waarde en derhalve niet uit eeuwige beginselen afgeleid. Zij gaan niet uit, de wereld in, om voor hunne theorieën aanhangers te verwerven. Wie van de groote wereld met hare vermoeiende, verbijsterende beslommeringen voor goed verzadigd is, die moge de poort binnentreden, die tot den „tuin van Epikurus" toegang geeft en zich bij den geïsoleerden kring aansluiten! waar eene idylle van volmaakte smartelooSheid wordt geleefd. De Epikuristische theorie kenmerkt zich door volstrekte politicopbobie.

Dat het ideaal van den vrijen mensch, door een sterk sprekend zelfbewustzijn gesteund, ook bij Epikurus krachtig tot uiting komt, blijkt uit tal van zijne uitspraken. „Gij moet de philosophie dienen, opdat dè ware vrijheid uw deel worde", zoo zegt hij; en: „de kostbaarste vrucht der zelfgenoegzaamheid is de wqsheid." „De wijze is altijd gelukkig." Epikurus, die zich voedt met water en brood, is bereid zelfs met niemand minder dan Zeus te dingen naar den prijs der gelukzaligheid. De wijze kan lachen, zelfs wanneer hij ziek is en zijn hchaam door smarten geteisterd wordt. Zelfs onder de hevigste martelingen zal hij zeggen: „Hoe zoet is dit alles: Hoe weinig deert het mijl" „Ik heb U, o Noodlot", zoo roept hij uit, ,.den pas afgesneden; ik heb alle toegangen dicht-

Sluiten