Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteld; maar het is zeker, dat hij zelf reeds de grondlijnen der skeptische wijsbegeerte heeft getrokken. Het was hem daarbij te doen om de beantwoording van een drietal merkwaardige vragen ; die aldus luiden : Waarin .bestaat het wezen der dingen ? (en onder dingen wordt dan alles begrepen, wat bestaat of wat zou kunnen bestaan). Hoe behooren wij ons ten opzichte van de dingen te gedragen ? Welke gevolgen vloeien uit die gedragingen voor ons voort? Meer dan 20 eeuwen later zou een der grootste moderne denkers de groote problemen der wijsbegeerte nagenoeg letterlijk op gelijke wijze formuleeren. Het was namelijk Immanuel Kant, die de taak der philosophie omschreef als te bestaan in het zoeken naar een bevredigend antwoord op de vragen : Wat kan ik weten ? wat moet ik doen ? Waarop mag ik hopen ?

De vragen, door Pyrrho gesteld, worden door hem beantwoord als volgt. Op de vraag aangaande het wezen der dingen antwoordt hij: wij kunnen dienaangaande niets stelligs te weten komen; betoogt men omtrent het wezen der dingen het een of ander, dan laat zich evengoed het tegenovergestelde betoogen ; de kennis, door de zintuiglijke ervaring aangebracht, is even onbetrouwbaar als die, welke uit het logisch nadenken wordt afgeleid. Tegenover elke bewering laat zich met gelijk recht eene tegenbewering stellen. Als antwoord op de tweede vraag volgt hieruit, dat wij ons ten opzichte van de dingen volstrekt skeptisch hebben te gedragen, ons omtrent niets ter wereld een beslist oordeel mogen veroorloven, ons veeleer van elk oordeel hebben te onthouden. Wel geeft Pyrrho toe, dat wij subjectieve bewustzijnstoestanden doorleven; maar de wetenschap aangaande die bewustzijnstoestanden maakt dan ook het een en het al van ons weten uit. Ten opzichte van den aard en het wezen der dingen voegt ons alleen een volstrekt stilzwijgen. Het loon van die wijze zelfbeperking, — en dat is het antwoord van Pyrrho op de derde vraag, — bestaat in de onbewogenheid des gemoeds;de „Ataraxie" en de ongevoeligheid voor leed en lijden: de „Apathie" ; want slechts hij die afziet van ieder stellig positie nemen ten opzichte van de dingen, hij

Sluiten