Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VOORDRACHT XIII.

HET NIEUW-PLATONISME.

Het Nieuw-Platonisme vormt den hoek- en sluitsteen van het machtig denkgebouw der antieke wijsbegeerte. Of, om een ander beeld te bezigen: het is het avondrood, in tal van prachtige tinten spelend, waarin de zon der antieke wijsheid ondergaat. Het noemt zich naar Plato en toch is het in menig opzicht anders dan Plato; want zijn vlucht overtreft het Platonisme in geweldige stoutheid,' en toch is het van minder breedheid en universaliteit; het gevoelt namelijk niets voor de menschehjke samenleving en den staat en vraagt alleen naar de beteekenis van den enkelen mensch en zijn gelukzaligheid.

In dit laatste opzicht vertoont het zich tamelijk eng verwant aan de leer der Stoicijnen, waarmede het ook nog andere trekken gemeen heeft. Maar bij de genoemde verwantschap blijft het niet; het Nieuw-Platonisme heeft overal gezocht om te vinden, wat naar zijn gading was, en wat het aldus heeft mogen vinden, dat heeft het zich geassimileerd. Plotinus, de stichter der school, gewaagt steeds t met eerbied van de groote en wijze mannen van den voortijd; nimmer zoekt bij bij hen naar verschil, steeds weet hij overeenkomst aan te treffen. Doch onder al die grooten en voortreffelijken is naar zijn schatting Plato toch wel de allergrootste. Met voorliefde haalt hij diens uitspraken aan ten einde de zijne te staven; nergens neemt hij ook maar den schijn aan van zich boven hem te willen verheffen. Maar hij verstaat daarbij de kunst om Plato te lezen op zijne wijze. En al de anderen tracht hij te zien in dit naar eigen trant gewijzigd Platonisch licht. Plotinus moge de denkbeelden der christelijke Gnostieken hebben bestreden zonder ze nauwelijks met

20 *

Sluiten