Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heven boven alles en onderscheiden van alles, wat zijn bestaan aan hem ontleent.

Schepping, we merkten het reeds op, is geen enkele wilsdaad van een als persoon gedachten God, maar emanatie, uitvloeüng, liever nog overvloeiing, overstortihg, trapsgewijze nederdaling van het volmaakte tot het minder, steeds minder volmaakte, ten langen leste zich verliezende in de volstrekte onvolmaaktheid, in het -volstrekt energielooze, in het ijdele Niets, gelijk de stralen der zon, hoe verder zij door de wereldruimte heenboren, zich ten laatste verhezen in de volstrekte duisternis. Tusschen de beide uiterste grenzen van het Oer-Eéne en van het ijdele Niets ligt het duizelingwekkend uitgestrekt gebied van alle onzichtbare en zichtbare dingen. Er zij nogmaals de nadruk op gelegd: hier is uitstraling van kracht, die men wel emanatie, maar niet evolutie mag noemen. Want evolutie onderstelt, dat het volmaakte aan het einde bereikt zal worden; doch hier staat het volmaakte juist aan het begin.

Wel bezien, is dit alles evenwel slechts ontoereikende beeldspraak; want die beeldspraak onderstelt ruimte en tijd, en ruimte en tijd zijn categorieën, aanschouwingsvormen, die zich eerst daar laten gelden, waar de scheppingsenergie, aan het Oer-Eéne ontweid, den laagsten trap der zicht- en tastbare werkelijkheid heeft bereikt.

Trapsgewijze namelijk zet de emanatie zich voort en elke volgende trap verhoudt zich tot den voorafgaanden, als de hoogste trap zich verhoudt tot het Oer-Eéne. Die onderscheiden trappen vormen derhalve eene causaal verbonden organische reeks, waarvan de op elkaar volgende termen steeds tot elkander staan in de verhouding van oorzaak en gevolg, van meer volmaakt oertype en minder volkomen, slechts ten deele geslaagd spiegelbeeld. Elk wezen van lageren trap ontleent de kracht van zijn bestaan aan het oertype, waarvan het het onvolmaakte beeld is, tracht al de volheid, die van zijn oertype uitstroomt, in te drinken, om dan zijn overvloed in eene volgende emanatie uit te storten. Aldus emaneert uit de oorspronkelijk volstrekte volmaaktheid van het Oer-Eéne de veelheid en gedeeldheid der trapsgewijze steeds onvolmaakter wordende dingen.

Sluiten