Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De eerste emanatie, die aan het Oer-Eéne ontvloeit, is de Geest, de „Nous", dien we reeds bij Anaxagoras, later ook bij Plato, Aristoteles en de Stoa hebben aangetroffen. De Geest is het denken, dat zichzelven denkt. Daar de Geest, zich zeiven denkende, aldus het object van zijn eigen denken is, bestaat in den Geest de tweeeenheid van het denken en het gedachte. De twee-eenheid; want denken en gedachte, denken en zijn, zijn in den Geest wel onderscheiden, doch niet ^scheiden. Voorzoover de Geest het denken is, is de Geest actie, leven, beweging; voorzoover hij het gedachte of zijnde is, is de Geest onveranderlijkheid en rust. Dit denken des Geestes is echter niet het gewone, alledaagsche denken, dat voorstellingen vergelijkt om aldus begrippen te vormen, en dat vervolgens oordeelt en besluiten trekt. Het denken des Geestes is een intuitief, aanschouwend denken: in de tijdlooze eeuwigheid aanschouwt de Geest het Oer-Eéne en werpt het door een spiegel opgevangen licht, dat zich in een bundel van stralen verspreidt, van zich uit in een veelheid van geesten, die allen deel hebben aan het denken en aan het zijn. Dit stelsel van denkende wezenheden zijn de Ideeën, die als denkende Geesten werkende krachten zijn. Zij vormen in hun samenhang de wereld der hoogere, onzienlijke dingen. Die geestelijke wereld van denkende krachten is eeuwig, onveranderlijk, volmaakt.

Gelijk de Geest emaneert uit het Oer-Eéne, zoo emaneert de Ziel uit den Geest. Op lageren trap afgedaald dan de Geest, is de Ziel zelf toch nog buiten den tijd; doch uit haar schoot wordt de tijd geboren. Zelve ongedeeld en ondeelbaar, is zij vatbaar en daarom voorbeschikt om in te dalen in dat wat naast elkander, wat deelbaar en dus ruimtelijk is, met andere woorden om in het lichaam te wonen. Op zich zelve beschouwd, blijft zij buiten ruimte en tijd en waar zij is en wanneer zij is, daar en dan is zij geheel en ongedeeld, doch, inwonende in het lichamelijke; of beter gezegd: dat lichamelijke voortbrengende, onderwerpt zij zich aan de ordening, die heerscht in de lagere sfeer der tijdruimtelijke hchamelijkheid. Deze Ziel is de Wereldziel. En gelijk nu de Geest terugschouwt

21 *

Sluiten