Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we het ons nogmaals herinneren! — dit proces werd niet voltrokken in den tijd. Eeuwig is het heelal, zonder begin en zonder einde. Logisch gedacht, kan men het zich voorstellen, alsof de vier stadiën, die God, Geest, Ziel en Lichaam heeten, elkander waren opgevolgd, uit elkander waren voortgekomen in tijdsorde. Doch dit „na-elkander" is in den grond der zaak een „neven-elkander" of „in-elkander".

Volgens Plotinus is God of het Oer-Eéne het volstrekt volmaakte, het eenige volstrekt Reëele; God is meer dan het Goede, meer dan het Zijn, meer dan het Denken en dan de Geest; want het Goede, het Zijn, het Denken en de Geest bestaan eerst door en in Hem. Hij heeft de wereld voortgebracht, of liever Hij is steeds die wereld voortbrengende, of nog nauwkeuriger; het voortbrengen der wereld door Herri geschiedt niet; maar de wereld rust, als geëmaneerd, op eene voor ons denken ondoorgrondelijke wijze in Hem. De wereld is gegrond in de wereldziel en heeft dus deel aan den Geest; zelfs in het anorganische is het reëele de ziel, zij het ook een ziel van lager orde. Elke ziel heeft een individueel bestaan, doch is tevens lid en onderdeel van de geheele Wereldziel. Gelijk één en hetzelfde licht alle dingen omstraalt, en doortintelt, zoo is het gansche heelal bezield van één en hetzelfde leven en de afzonderlijke zielen zijn slechts de onderscheiden vormen, waarin dit Alleven zich openbaart. De eerste oorsprong van dit Alleven is het Absolute, het Oer-Eéne, God. Uit God vloeit alle licht, alle leven, alle goed, alle kracht, alle schoonheid. Daarom is de natuurleer van Plotinus niet empirisch, maar aesthetisch.

Gelijk aan het verband van de Wereldziel tot de Materie is dat der menschelijke ziel tot het lichaam. De menschelijke ziel is onderdeel van de wereldziel, heeft aldus deel aan den Geest en aan de eeuwige Ideeën en door dien Geest aan het Oer-Eéne. De menschelijke ziel is dus van Gods geslacht, zij vereenigt zich niet met het lichaam, maar zij werkt op dat lichaam in, dat zooveel kracht van haar opneemt, als waartoe het in staat is. Aldus wordt het lichaam bezield door kracht, door levenskracht. Het zieleleven openbaart

Sluiten