Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wortel des Zijns, daarmede zooveel van het Goddelijke in zich opnemend, als zijn ziel verdragen kan. Maar met dit aanschouwen nog niet tevreden, verlangt hij naar datgene, wat nog ligt achter hetgeen kan worden aanschouwd, naar dat wat vóór en boven alle dingen is. — Wordt dat verlangen bevredigd, dan houdt de ziel op, een wezen op zich zelf te zijn en zij gaat zoover boven haar eigen wezen uit, als zij met God in gemeenschap treedt. Wie ziet, dat hij aldus God geworden is, draagt in zich een beeld Gods en, wanneer hij uit zijn zelf uittreedt, en als beeld Gods samenvloeit met het Oer beeld, dat God zelf is, dan heeft hij het doel van de reis bereikt. Maar ook dan, wanneer hij uit de sfeer van het aanschouwen is teruggezonken, kan hij in zich de deugd wekken, de loutering zijner ziel ter hand nemen en aldus weer opstreven door de deugd tot den Geest, door de wijsheid tot God. Aldus bestaat het leven der goden en dat der goddelijke en gelukzaüge menschen in bevrijding van alle aardsche kluisters. Hun leven is een leven zonder aardschen lust. een streven van het Eeuwig-Eéne tot het Eeuwig-Eéne."

In deze bladzijden teekent Plotinus het beeld zijner wijsbegeerte als ten voeten uit. Deze wijsbegeerte vindt haar voltooiing in de zuiverste mystiek. Het Hellenisme, in den grond der zaak intellectualistisch, heeft hier zich zelf overwonnen. Hier zwijgt het intellect met zijn logica en zijn sluitredenen; hier wordt gestameld in zienerstaai van dingen, die verstand en rede niet vermogen te peilen, te bevatten, te beschrijven. Hier poogt een edele menschenziel, die zich aan de verbijsterende macht der zinnelijkheid met al haar ellende, disharmonieën en zonden heeft onttrokken, te getuigen van die hoogere wereld, waarvan zij de aanraking met sidderende blijdschap heeft ervaren.

Later zullen we gelegenheid te over hebben, om geesten aan te treffen, aan Plotinus verwant. Ik herinner slechts aan Meester Eckart, aan Ruusbroec, aan Jacob Böhme, aan Novalis.

Oppervlakkig bezien, is er geen grooter tegenstelling denkbaar dan die tusschen de nuchtere beschouwingen der Skeptici en de

Sluiten