Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik heb getracht in enkele korte trekken de beteekenis te schetsen, die het christendom heeft gehad voor de geschiedenis der wijsbegeerte. Die beteekenis werpt een onmisbaar licht op het eigenaardig verloop van het menschelijk denken in het duizendjarig tijdperk der middeleeuwen; want dat verloop kan alleen onder die belichting eenigermate begrepen worden.tNog verder gaande zou, ik er thans reeds op kunnen wijzen, dat met het aanbreken der Renaissance de wijsbegeerte zich tracht te ontworstelen aan de kerkelijke dogmatiek en dat sedert dien een strijd is ontstaan tusschen kerkleer en wijsbegeerte, die met afwisselende heftigheid wordt gevoerd en tot in onze dagen nog altijd voortduurtj De kerk, eerst de Roomsch-Kathoheke, weldra daarnaast ook de Protestantsche, tracht met uiterste inspanning van krachten haar dogmatisch stelsel vrij te houden van de besmetting, waaraan het van den kant der ongeloovige wijsbegeerte onophoudelijk is blootgesteld. Toch kan zij de uitkomsten van het wetenschappelijk natuuronderzoek en de daarmede samenhangende wijsgeerige denkresultaten niet op den duur negeeren en de kerk tracht dan, van den nood een deugd makende, die uitkomsten en resultaten, voorzoover zij onafwijsbaar zijn, zoo goed en zoo kwaad als het gaat, met hare dogmatiek in harmonie te brengen. Het dogmatisch huis, dat zij bewoont, wordt dientengevolge gestadig vervormd en omgebouwd naar de steeds zich wijzigende behoeften des tijds; doch dat geschiedt aldus, dat het fundament waarop het gebouw rust, onveranderd blijft. Zoo zagen wij dan ook ten onzent eene universiteit gesticht „op Gereformeerden grondslag". [Van de zijde der wijsbegeerte wordt de strijd tegen de kerk vaak met dezelfde heftigheid gevoerd. In de achttiende eeuw was het Voltaire, die met zijn „écrasons l'infame!" aan het kerkgeloof den handschoen toewierp; in de negentiende eeuw heeft Friedrich Nietszche het christendom, dat hij „den éénen grooten vloek der menschheid" noemde, met ongekende felheid bestreden. Maar daarnaast vertoonen zich ook sporen van toenadering en verzoening, zoowel in de I7e en i8e eeuw bij Leibnitz, Kant, Fichte en Rousseau, in

Sluiten