Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. JEZUS.

„In raadselen wandelt de mensch op aard," heeft eens een dichter gezegd. De aardsche levensgang des menschen is geen geregeld voortschrijden langs een duidelijk afgebakend pad om te bereiken een vast en onwrikbaar omschreven einddoel, maar veeleer een zoeken en tasten, een schuchter en aarzelend verder gaan onder duizend vreezen van te geraken op doolpaden, die leiden naar afgronden, vanwaar geen terugkeer mogelijk is. De mensch wandelt voort, omdat het nu eenmaal niet anders kan; doch hoe meer hij vordert op zijn weg, hoe meer zijn verbijstering toeneemt van wege de raadselen, die hem in steeds grooter aantal omringen en hem steeds angstiger doen vragen: waarop zal het levenspad, dat ik bewandel, uitloopen? Wat is de eigenlijke aard, van 's menschen wezen? Wat is de bestemming van zijn leven? Waarin bestaat de roeping, waaraan hij heeft te beantwoorden, de taak, die hij heeft te volbrengen? Welke zin is verborgen achter de geheimen der hem omringende natuur, achter die van het wereldgebeuren? Ligt de ontwikkeling aller dingen besloten onder een ijzeren wet van noodzakelijkheid, waaraan geen ontkomen is en waaraan dus de denkende mensch even goed onderworpen is als alle andere schepselen en dingen? Of is er wellicht een gebied van vrijheid, een zedelijke wereldorde, waarop de dwang der causaliteit geen vat heeft, een rijk des geestelijken levens, waaraan de mensch deel vermag te hebben teneinde aldus tot de vrije ontplooiing van zijn persoonlijk leven te komen? Is, wat men leven noemt, niet meer dan een domme, wreede, eeuwigdurende strijd om het bestaan, zonder plan en zonder zin? Of is er een zin, een bedoeling in het leven, een einddoel, dat eenmaal vast

Sluiten