Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nauwgezette naleving van gebod op gebod, van regel op regel.

Voorzeker, er kwamen bij het Israël der eerste eeuw onzer jaartelling partijschakeeringen voor, van half-godsdienstigen, halfstaatkundigen aard, die het vermoeden konden wekken, dat in deze „nation éteinte" toch alles nog niet dood was en die gegronde hoop schenen te geven op eene eerlang intredende herleving van dit zoo diep ingezonken volksbestaan. Doch dat was maar schijn, geen werkelijkheid. De conservatieve, tolerante priesterpartij der Sadduceeën mocht wat meer nadruk leggen op formalistische wetsbetrachting en wat minder vrees koesteren voor den invloed van Hellenistische zeden en levensopvattingen dan de meer fanatieke Farizeeën, voor wie juist die uitwendige naleving van traditioneele geboden en inzettingen het een en het al was en die met Joodschen trots zich te weer stelden tegen al, wat naar heidendom zweemde. Bij beide echter was het godsdienstig leven geheel en al veruitwendigd, en het maakte niet veel uit, of die veruitwendiging het ritueel van den tempelcultus of de spitsvondige schriftgeleerdheid der synagoge betrof.

Zoo althans was de toestand in het Joodsche gebied bij uitnemendheid, dat Judea heette. Daaraan grenzende lag het landschap Samaria, welks inwoners, een mengvolk van Joodsche en heidensche elementen, door |de echte Joden werden geschuwd en gemeden, omdat zij als heihge schrift alleen den Pentateuch erkenden en op den Ghorazin hun eigen heiligdom hadden gebouwd.

Het noordelijke Galilèa werd bewoond door een eenvoudige landbouwers- en visschersbevolking. Onwetend op menigerlei gebied, ook op dat der religie, met heidensche elementen vermengd, zeker niet minder dan Judea beïnvloed door de Hellenistische cultuur der Seleuciden en een bodem bewonende, waar in vroeger eeuwen het aan de Goddelijke instellingen weinig getrouwe Tienstammenrijk was gevestigd geweest, was deze bevolking bij de Joden van onvervalschten bloede, zooals zij in Judea gevonden werden, weinig in tel. Zij ging door voor een volk, „dat in duisternis wandelde", en aan zijn boersch dialect gemakkelijk te herkennen was. Van eene

Sluiten