Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE AAPJES

MOE en verveeld door het werken op een ongezellige hotelkamer, erover piekerend hoe ik den avond in Milaan zou doorbrengen — den langen avond, waar ik geen raad mee wist —", was ik langzaam over de piazza Scala de galerij binnengeslenterd om er buiten voor het restaurant Biffi te eten. Daar vond ik een groote menigte, die zich voor een der tafeltjes verdrong, terwijl de kellners, deftig in hun rok met gouden knoopen, met een geërgerd gezicht die menigte wat trachtten te verspreiden. Ik mengde mij ertusschen, nieuwsgierig.

Aan het tafeltje zat een heer met een gladgeschoren Engelsch gezicht; hij at heel kalm een peer en sneed er nu en dan kleine blokjes van af, die hij uitdeelde aan twee aapjes, die aan weerszijden van zijn bord zaten. Twee mooie beestjes waren het, niet grooter dan een vuist, maar met eene heel langen, donzigen staart, zwart met grijze, regelmatige driehoeken erin geteekend —; naast den neus, waaiervormig uitgeplooid, waren wat lange, spierwitte haren. Zij aten werkelijk heel fatsoenlijk en wachtten netjes tot de baas hun wat gaf. Toen er een met een handigen sprong over het bord wipte om het aangeboden stukje vlugger te bemachtigen, riep een meisje uit de groep rondom, verrukt, met opgewonden stem: „Och, kijk eens, wat snoezig is die!" De heer keek op, vroeg met een leuken glimlach aan het mooie strijkstertje: „Bedoel je mij?"

„Nee, den anderen aap," antwoordde het meisje gevat, maar toch blozend de bruine wangen en met een verlegen gebaar een paar weerbarstige zwarte lokken van het voorhoofd strijkend.

„Intusschen is het verschil zoo groot niet," merkte de heer slagvaardig op. De omstanders gierden het uit: „Die is goed;

Sluiten