Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den langoor, die zijn tanden liet zien en al schoppend hem in zijn zitdeelen trachtte te bijten.

„Signore!" bulderde hij, — Signore!" —

„Kom op," daagde ik vastberaden uit, veilig achter het hek.

„Ellendeling, smeerlap, hondsvot! "raasde de zwartbaardige, „u bent..." Maar toen had de viervoeter hou-vast gekregen. „Ai!" jammerde de verbolgene, en eenige heiligen moesten weer ongepaste gelijkstellingen ondergaan, terwijl de ezel zich omwendde en elders onheil zocht te stichten.

Zijnachterdeelwrijvend.bevaldezwart-baardigedenlakeien:

„Kalmeer Josjo; laat hem eten, breng hem in de gewatteerde kamer, geef hem koude melk met twintig Hoffmannsdruppels, hang de gummipop op om tegen te schoppen! En hier en ginter, laat hem niet zoo midden in de zon staan!"

Maar hij had makkelijk zeggen. De ezel ging te keer als een bezetene, schopte rechts en links in de rozestruiken, trapte een sèvres-vaas met kostbare orchideeën tot scherven, stootte waanzinnigegeluidenuit.Ophetbordesgevlucht.zagenbeduusd de mannen al die teisteringen gebeuren. Het zwart-baardige heerschap, op zijn verwondingen niet lettend, klom als een aap in het indrukwekkende hek, toén langoor maar even, steelsgewijze, weer in zijn richting keek.

En te midden van al die verschrikkingen, verscheen op het balcon een deftig jongmensch, waarin ik Arie herkende.

„Wat is er aan de hand?" vroeg hij in geweldig slecht Italiaansch.

„Ik weet geen raad!" jammerde de man in het hek. „Wacht, ik kom," voorspelde Arie met een ongemakkelijk gezicht.

En Arie kwam, ging met eenallerinnemendstenglimlachrecht op den ezel toe, die aanmerkelijk kalmer werd, toen hij zijn meester ontwaardde.

Sluiten