Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Misschien met wat kalmeerende middelen eenigszins te bezweren, hoewel ik geloof dat Josjo vandaag nog wel wat nerveus zal blijven. U kent zijn impressionabel karakter beter dan ik, en u weet, na zulke aanvallen, die gelukkig zeldzaam zijn..."

Hij zweeg opeens bedenkelijk. Arie zuchtte, liep met een bedrukt gezicht, arm om den nek van Josjo geslagen, langzaam door het park naar een kleine aangebouwde villa. De lakeien volgden met het zonnescherm, den waaier, de distels en een nieuw Chineesch schaaltje met water.

We traden de villa binnen die een angstig Moorsch karakter droeg: puntvensters, vele volmaakt overtollige kolommen, Perzische tapijten om van te watertanden, zijden geborduurde kussens opgehoopt in de hoeken, kleine ingelegde tafeltjes. Arie en Josjo stapten geluidloos over de zachte vloerkleeden; ik volgde met de anderen.

„Laten we maar even naar zijn boudoir gaan"' stelde mijn vriend voor.

En daar in het keurige zaaltje, waar ik over de overvloedige kussens welhaast den hals brak, vlijde Josjo zich neer en liet door den dokter zijn hartslag onderzoeken.

„Nog wat onregelmatig", bekende de lijfarts. „We zullen een warm bad probeeren."

In een ommezien was in de badkamer het diepe marmeren bekken vol warm geurend water, daalde een poedelnaakte lakei met Josjo langs een glooiende zijde er in neer. De ezel vond alles blijkbaar best, liet opeens heel gemoedelijk met zichrondsollen.

„Hij schijnt weer in een best buitje", waagde ik op te merken. „Hij doet maar zoo; misschien negert hij me nog drie dagen lang," kwam Arie bedrukt. „Hoe zoo?"

„Kun je een geheim bewaren?" vroeg hij plechtig.

Sluiten