Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

allerlei verschijnselen de onomstootelijke bewijzen er voor."

Lang redetwistten we over de twee stellingen en de meesten waren het met den dokter eens. Het was laat in den nacht toen we in de hall van het hotel elkander goedennacht wenschten. Op dat oogenblik werd er gebeld, hard — gebiedend. In het stille slapende huis joeg ons de schelle, plotselinge klank van de bel even een schrik aan en ons gesprek stakend keken we allen naar de deur, die de nachtportier slaperig op een kier open deed. Meteen keek de ruige, verweerde kop van een grijsaard, met een langen witten baard, naar binnen, — een vuile woeste dronkemanskop van een ellendigen landlooper.

De portier poogde de deur dicht te duwen, terwijl de kerel raasde: „Geld — geef me geld, of de vloek en de dood op jullie hoofden!" Toen met geweld, sloeg de deur dicht. De dokter had er zich mét alle macht tegen geworpen.

Het gebeurde allemaal zoo snel en onverwacht, — de verschijning had ons, na het lange gesprek van dien avond, zóó hevig verschrikt, dat we geen van allen op Giulio gelet hadden. Het gebaar van Adriano, de slag van de zware poort, brachten ons weer tot bezinning en we zagen om. Lijkwit — met groote starende oogen stond Giulio tegen den pilaar van de trap geleund ... toen zakte hij met een korten zucht ineen. Dof sloeg zijn achterhoofd op de marmeren plavuizen. De dokter vloekte, boog zich over hem, betastte het lichaam.

„Dood —" zei hij, de tanden op de lippen bijtend, — groote tranen in zijn koude cynische oogen. Dan rende hij de nachtverlaten, maanlichte straat op, stond stil — luisterde in welke richting hij voetstappen hoorde, en stormde weg, de straat

naar het meer op.

Een uur later kwam hij terug, bleek, ontdaan: „Niets heb ik gehoord meer, en niets gezien. Ik meende, dat er voetstappen klonken langs den glooienden weg. Maar er j 38

Sluiten