Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE MUIZENPOES

VAAK 's wtatermiddags, als het vroeg donker werd en hij toch niet meer kon werken aan zijn doeken, kwam ik bij hem aanloopen. In het groote atelier, waar de haard vlamde en in den hoek de hooge schemerlamp gloorde, waar rondom aan de wanden en op ezels, vaag de gestalten en gelaten uit de gouden lijsten opstonden, lag hij dan meestal languit op de rustbank en rookte. Ergens — uit een héél donkeren hoek — klonk zacht mandoline-getokkel, zat George in een diepen stoel gedoken wat te fantaseeren voor zich uit, terwijl even nu en dan het opgloeien van zijn sigaret uit het duister priemde.

Zoo waren Jan en George soms urenlang bij elkaar, zonder te spreken, zonder te bewegen haast — uitgepraat, behaaglijk in de stille warmte van het groote gezellige atelier, waar zware gordijnen den winterhemel afsloten, dikke tapijten het geluid dempten.

Het waren twee schilders, die behoorden tot de grooten, wier werken men overal zag, wier namen men telkens las, wier kennismaking gezocht werd, terwijl degeen, die zich kon veroorloven een van beiden een portret te laten schilderen, voor welgesteld gold. .

Het waren flinke werkers en eenvoudige jongens gebleven, ondanks de groote verdiensten, ondanks de malle vleierij van salonmenschen, de ophemeling van critici.

Ze waren er den kop niet door kwijtgeraakt, niet blasé geworden en eigendunkig, zooals wie zoekt, nooit gelukkig is. Vroeger, in hun jaren van bohème, van strijd, van armoede en véél werk — toen zij blij waren met een bestelling, die een tientje opbracht, toen ze prutsten in ateliers met weinig licht en benepen ruimte — hadden ze van weelderige studio s en bestellingen van duizenden gedroomd. Nu — waar die droom 66

Sluiten