Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verwezenlijkt was, zat hun verleden, de bohème, hun dwars, konden ze met weemoed herinneringen ophalen uit die jaren, die ze zagen als een kostbaar schilderij, een schilderij, zóó gevoelig als ze het nu niet meer zouden kunnen maken, maar gevat in een vuile smakelooze lijst, die het geheel bedierf.

Voor de wereld bleven ze in de plooi, deden ze als salonmenschen, keurig in kleedij en manieren, lag het vernis van gepolitoerde alledaagschheid zóó dik over de bohêmeziel, dat niemand er door heen kon kijken. Maar met elkaar en enkele vrienden uit dien bohêmetijd, kwamen ze los, bleven ze de snaaksche en toch ernstig werkende eenvoudige kerels, die nog andere idealen hadden dan groote bestellingen en handig métier.

„Hallo!" riep Jan dien middag, het hoofd even uit de kussens heffend, „Hallo!"

„Zóó.. .?"kwam George uit zijn hoek, even het mandolinespel stakend en een vraag inleidend, die bij dat ééne woord al stokken bleef.

Ik dook neer in een grooten stoel, — rookte — opeens doezelig en slaperig in de overdadige warmte, terwijl buiten de noordewind door de winterjas had gesneden.

„Wat is dat?" verwonderde ik me opeens, een groote zwarte poes ontdekkend in een stoel tegenover me.

„Dat? — Dat is Kobus", zei Jan — „dat wordt nu m'n huisvriend, m'n aanspraak. — George's tong verlamming gaat hard achteruit, — modellen zijn stom vervelend op den duur met hun chronique scandaleuse over andere kwastenhanteerders, waarbij ze over den vloer komen; dames en jonge meisjes zijn nog onbenulliger. Maar Kobus is aardig. Toe ouwe jongen, zwarte duivel, bal pek, tros veterdrop, — vooruit Kobus, lig niet te maffen!"

Maar de poes, ineengerold, bleef slapen.

Sluiten