Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hondje, want George beukte zóó vervaarlijk met de schee tusschen al ons hebben en houden, dat er deuken van in het nikkel kwamen. Opeens riep hij: „Ik heb beet"— en meteen zie ik van onder een kast een vreeselijk gedrocht aankomen. Plat op den buik, met de beenen voor- en achteruit gestrekt, de haren, door het schuren tegen den bodem van het lage meubel met springende dotten wild door elkaar, alsof je ze met geweld tegen den draad had geborsteld, — kwam daar de muizenpoes te voorschijn — loensde me aan met de valsche oogen in den breeden katerkop en sprong meteen rechtop me af.

Ik gaf een schreeuw —• een schreeuw....

„Haha", snorklachte George in zijn hoek — onbedaarlijk — „een schreeuw of je gekeeld werd."

„Ja" — vervolgde Jan — „een schreeuw zooals ik er nog nooit een heb gegeven en ook nooit meer hoop te geven. Als razend mepte ik met de sabel in de lucht. Maar de muizenpoes was al lang weg; over m'n hoofd sprong ze precies door de kier tusschen de schuifdeuren de andere kamer in.

George Wou de jacht voortzetten, maar ik was kapot van den schrik, m'n handen en knieën beefden — zóó was ik van van streek.

Den volgenden dag is er een kruier met een kornuit gekomen, ruimden ze stelselmatig het atelier op, zetten alles op één hoop tot ze de ruimte hadden. Wij zaten in de lunchroom te wachten tot het over was. Na een uur van veel spektakel en hard gevloek, toonde de kruier met bloedige bekrabbelde handen ons een zak waarin wild iets scheen rond te wentelen en te rukken.

Ze kregen een fooi, die ons ruineerde. George schreef flauwe verzen, ik diepzinnige aphorismen over de poes op het behang, het geheele geval werd ook nog eens in eenige tafereelen er op geschilderd.

Sluiten