Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hand wende ik aan het gelaat, en toen ze dit bij mij opmerkte, verdween allengs haar schaamte en schuchterheid.

Als correspondent van een Nederlandsen blad moest ik veel kranten lezen en bewaarde de oude nummers langen tijd. Gerangschikt volgens de data en ochtend- en avonduitgaven lagen ze op een grooten stapel in een hoek. Ik was er erg netjes op en meermalen had ik sinds Annunziata over m'n kamer ging, gemerkt, dat de kranten door elkaar lagen en dat m'n ochtendbladen gelezen waren. Ze lagen dan onhandig weer dichtgevouwen en beduimeld op m'n tafel.

„Annunziata," had ik eens gezegd, „ik heb er niets tegen, dat je m'n kranten leest, maar wacht tot ik ze uitgelezen heb en leg ze dan weer op hun plaats."

Toen had ze een kleur gekregen en was erg ontdaan m'n kamer uitgeloopen. Ze was erg snel ontdaan. Over onbelangrijke gebeurtenissen kon ze zich zóó opwinden, dat ze in tranen uitbarstte. En even afschuwelijk en pijnlijk als haar glimlach op het arme verminkte gelaat aandeed, even verschrikkelijk en deerniswekkend was haar schreien.

„Ik begrijp niet wat Annunziata heeft," kwam de goedige signora Tutino op een dag bij me. „Ze huilt den heelen tijd. Ik krijg er niets uit. Zou u het eens willen probéeren?Poverella."

Ik beloofde het, en toen ze een oogenblik later binnenkwam, vroeg ik, deelnemend:

„Annunziata, waarom huil je zoo, kan ik wat voor je doen?"

Ze stond voor het raam, de „mooie zijde" van haar gelaat naar me toegekeerd. Ze poogde altijd zich zóó te wenden, dat ik den sfregio niet zag. Na m'n vraag trachtte ze hooghartig en trots de tranen in te houden, keek in den blauwen hoogen hemel en haalde de schouders op.

„Is er iets?"

Sluiten