Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Niente" (niets), kwam ze stug.

„Kom, meisje," zei ik schoolmeesterachtig — „je huilt niet om niets."

„Niente," herhaalde ze nadrukkelijk, met booze stem. „Hoe heette de ellendeling,die jediensfregiobezorgdheeft?" vroeg ik opeens.

„Giacomo," antwoordde ze verveeld.

„Giacomo wat?" hield ik aan.

„Giacomo Benvenuto," vulde ze aan.

„Zit hij nog, of is hij vrij?" ondervroeg ik verder.

„Weet ik niet."

„Dat weet je wel," deed ik streng. „Vooruit Annunziata, sta niet te liegen. Wat is er? Valt hij je lastig, dreigt hij je weer; staat hij in de straat te loeren als je boodschappen doet? Zeg het dan liever. Wat drommel de carabinieri wonen hier vlak tegenover. Den commandant ken ik goed. Daar maken we toch meteen een eind aan?"

Ze antwoordde niet. Hooghartig, het fijne profiel, met de lange, uitstekende wimpers scherp afgeteekend tegen het marmer van den raampost, stond ze naar buiten te kijken.

„Is die Giacomo Benvenuto bekend als behoorend tot de de „mala vita?" (misdadigers.)

Ze knikte.

„Hoe kwam je aan zoo'n kerel ?" hield ik vol. Toen opeens met een razenden snik opschreiend, rende ze de kamer uit. Ik bleef achter, besefte, dat ik met m'n stommen kop alles verknoeid had.

In dien rijd had ik een moeilijk stuk werk onderhanden en waar de dagen zoo broeiend heet waren, dat alle arbeid in loomheid versmoorde, werkte ik eiken nacht tot de zon opging. Dan maakte ik een morgenwandeling door de Villa Borghese ontbeet en sliep tot den laten namiddag. Zoo kwam ik op een 78

Sluiten