Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eens had hij haar stem gehoord, toen ze een vriendin groette; een stem, die een vreemde bekoring had — een beetje schor en in valschen toon overslaand — een stem, die lieve woorden zeggend, een openbaring zou moeten zijn.

De dagen, waar hij haar niet ontmoette,leken somber enleeg; de dagen, waar hij haar in gezelschap van een jongmensch zag schrijnden en deden pijn. Kameraden plaagden hem met zijn romantische genegenheid en Jaap, een goede vriend, een meisjesgek, zei hem op een goeden dag:

„Jules, kerel — je bent zoo verliefd als een groote idioot. Spreek haar aan, flirt een beetje en dan is het in een maand over. Voor zulke ziekten is een homoeopathische behandeling uitstekend."

„Val om," was zijn norsche antwoord. Hij dorst niet. Eens had hij gepoogd vriendelijk te glimlachen toen ze dicht bij hem was. Dadelijk had ze dien hooghartigen blik gekregen, die hem bang maakte. Eens ook had hij haar gegroet. Ze deed alsof ze het niet zag.

Na het eind-examen leek het een groote leegte. De schooltasch, het hatelijke ding, behoefde hij niet meer te dragen, maar ook de dagelijksche ontmoeting bleef nu uit. Tot hij haar 's middags in een strandstoel ontdekte. Telken zomermiddag zat ze aan het strand, las, of keek de voorbijgangers aan met haar onbevangen spotzieken blik. Wel vijfmaal liep hij dan langs haar stoel, keek op het laatste oogenblik een anderen kant uit, dorst niet. Hoe vaak had hij het niet reeds in zijn verbeelding uitgewerkt, het geheele gesprek, dat hij met haar zou voeren. Hoe vaak had hij niet op slinksche wijze zijn vrienden uitgehoord, Jaap vooral, hoe zij het deden. En van lieverlede was het hem heel eenvoudig gaan toeschijnen. Hij zou een stoel vlak bij haar bestellen en beleefd vragen of ze er wat tegen had, dat hij zoo dichtbij een plaats innam, of hij haar het uitzicht 84

Sluiten