Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Willy — het is bijna de laatste van de maand," verontschuldigde het jongmensch zich.

„Och jullie jongens, jullie bent allemaal even kaal."

„Hoe kaler hoe royaler," poogde hij te spotten.

„Nou, die royaalheid van jou, die moet ik nog ondervinden," zei ze bits. „Waarom ik nog met je loop, weet ik eigenlijk niet."

„Of je me al niet geld genoeg hebt gekost," antwoordde de jongen grof. Ze haalde onwillig de schouders op. Even stokte het gesprek. Toen zei ze:

„Ken je dezen jongen?" en haalde zijn kaartje met med. stud. voor den dag.

„Nee," zei de jongen stug, — „ga naar een informatiebureau. Heeft ie aangegaapt?"

„Ja — je weet wel, die malle jongen, dien ik eiken morgen tegenkwam. Verlegen slungel. Komt Gerrit nog wel eens in de bar?"

„Ga het hem vragen?"

„Wat ben jij gezellig vanmiddag. Vanavond maar thuis bli; /en hè?"

„Zónder broche."

„Voor mijn part — jouw broche heb ik niet noodig." En boos draaide ze zich van het jongmensch af, zag Jules opeens en vroeg onbevangen:

„Wel m'nheer — wat een toeval — u ook op de tram?"

Juist stopte de wagen. Hij sprong er af, zonder antwoord te hebben gegeven, liep naar huis.

Drie jaar had hij daar op gevlast en in één dag was het alles in elkaar gevallen. De vriend, de meisjesgek, had gezegd: „flirt een beetje in een maand is het over." Hij was al van de ziekte genezen in één kort oogenblik. En tóch — die oogen, die wondere mooie spotzieke, soms hooghartige oogen, — dat wezen,

Sluiten