Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eens. Dat duurt dan een poosje, totdat ze in de gaten hebben, dat je je vak niet kent en je, ondanks je mooie tuig, de deur uittrappen. Kellners genoeg, elke Napolitaan is een geboren kellner."

Hard ging de schel weer op de gang.

„ Dat is zeven, een oude Amerikaan, die belt altijd als bezeten. Die moet een cocktail hebben, is nog niet góed dronken. Enfin — je denkt dus aan me. Zie je zóó veel schaamtegevoel heb ik bij slot van rekening nog, dat ik het beroerd vind om het van jou aan te nemen. Maar morgen ga je tóch weg. Na m'n confidenties vin je het lam hier te blijven, dat begrijp ik. Ik jaag je uit Napels weg. Nu — dan laat je me wel achter wat je... nou wat je 'n ouwen slobber geven wilt. Ja, bel maar niet zoo, ik kom al, old fooi! — Nou, Van Beveren, het beste, neem me niet kwalijk..."

En op eens, met een onverwachten zet, ging hij de deur uit.

Van Beveren vertrok niet den volgenden dag. Lang had hij dien nacht op het balkon zitten tobben, totdat de ijle blauwe hemel al lichter en lichter geworden was en een glanzing over het water was gaan spreiden bij den naderenden dag. Lang had hij gewikt en gewogen, had zijn nuchterheid van zakenmensen gestreden tegen de opwelling. Totdat hij het besluit genomen had, brieven was gaan schrijven aan zijn bankier in Nederland en aan Vermeer, denkellner, totdat hij zijn testament had overgeschreven met de nieuwe beschikking: zóóveel aan zijn neven en nichten en zóóveel, een behoorlijke lijfrente, aan den kellner tot diens dood.

De geheele dag was hij met de paperassen bezig, regelde alles nauwkeurig, schaterde opeens in een blijden lach toen hij zich voorstelde hoe na zijn dood hem haast vreemde verre neven en nichten zouden te keer gaan over den ouden oom,

Sluiten