Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Halt! — Werda!" nep een stem ons toe.

We gaven de wachtwoorden, kwamen in de batterij, waar bij kleine lampen achter de pantserschilden, de vrij willigers granaten tempeerden en in de met elk schot terugslaande vuurmonden schoven. Ook verderop, in de heuvels, begon het kanon te dreunen, klonk het geratel van geweren.

„Het schijnt te spannen", meende de Duitsche officier.

Bang, ongeordend, dwars door elkaar, kwam een afdeeling Roemeensche soldaten uit hun kamp om naar de vuurline te gaan. Enkele mannen hepen in het duister uit de gelederen weg; anderen mopperden, enkelen huilden van angst.

„Tapfere Truppen", spotte men achter de stukken. — „Schneidige Kerls".

Maar er klonk al een telefoonschel en even later het bekende fluitje — schril over de geheele linie: „Staakt het vuren." De kanonnen en de mitrailleurs zwegen; het geweervuur luwde. — De rust kwam terug en ook de Roemeenen, die nu krijgszangen brulden en kranig in den pas liepen.

In de stad gingen de lichten uit, klonken zware dreunende stappen van inrukkende troepen. Op de reede floot, lang aangehouden, een stoomboot, die uitliep naar Corfoe.

Bij de stukken kropen de mannen bij elkaar, staken een pijp op. En toen zei de Duitsche officier; „Mannen — als jullie morgen dood wakker wordt, moet je er niet vreemd van opkijken. — Vannacht willen ze ons om zeep brengen. Wij — en hij wees op mij — hebben er al een voorproefje van gehad. Dus oppassen."

Veel indruk maakte het niet. Wachtposten werden uitgezet en voor het gewelf van de citadel, waarop de batterijen stonden, werd een dubbele post geplaatst.

We wachtten, — uren lang. Er gebeurde niets. Het was lang niet zoo rustig geweest. Er klonk geen schot, — er kwam

Sluiten