Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niemand in onze buurt. Alleen de malariamuggen beten ons onbarmhartig het gelaat en de handen stuk.

„Als ze nu niet gauw komen om me de keel af te snijden, ga ik slapen", dreigde er iemand.

Met zijn stille trawanten, kwam de politiechef een kijkje nemen, vertelde hoe hij dien nacht drie kerels, die verdacht bij het munitiemagazijn in het donker rondslopen, achter slot en grendel had gezet. De aanval was afgeslagen—het voorterrein lag vol dooden. In onze loopgraven waren er een stuk of wat gesneuveld en gewond.

En opeens — terwijl we zoo stonden te praten — klonk er een slag, die ons met verbijstering sloeg, — een slag zóo geweldig, dat we allen onze ooren hoorden tuiten. Een zware rook van zwart vochtig kruit steeg op — deed ons hoesten en kuchen. Dan ontstond er een wilde verwarring. De politiechef rende met zijn helpers naar het gewelf, waar hij den slag had meenen te hoor en. De vrijwilligers hepen naar de munitie, bang voor een ontploffing van de kardoezen, die voor de saluutschoten dienden. Er was niets te vinden. De posten vóór het gewelf verklaarden, dat de ontploffing daar binnen bad plaats gehad.

„Dus een bomaanslag tegen de batterij", concludeerde de politichef. „Een poging om het gewelf in elkaar te laten storten met kanonnen en al."

„Ja — maar — het is een Albaneesche bom geweest — in beroerdigheid evenredig met geheel Albanië", — meende de Duitsche officier lachend.

„Halt! werda!" klonk een roep.

Een stem antwoordde — in het Albaneesch, — „Wat moet die man?" — „Naar boven geleiden", — klonk het bevel.

Onderdanig, buigend en groetend, kwam een priester. Hij wees op de rood glorende kim achter de bergen — op het 102

Sluiten