Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

COCO, DE AAP

WIE bij hem kwam zag in een overigens wel smaakvol ingerichte kamer een wanstaltigen opgezetten chimpansé staan. Iemand die zijn vak slecht verstond had het volle vel van het dier flink volgestopt met stroo, de ledematen in eenige zonderlinge bochten gewrongen om een stuk tak, en zóó: vormeloos, zonder iets dat aan den natuurlijken stand van een levend dier herinnerde, plomp en leelijk, als een kwade droom, loensde de aap eiken bezoeker met zijn glazen oogen aan. Er waren er, die zich er grapjes op veroorloofd hadden en dien had Johan met een paar korte bijtende woorden den lust tot verdere geestigheden ontnomen. Er waren er, die hem ernstig en overtuigend verklaard hadden, dat iemand, in voortdurend gezelschap van zoo iets wansmakelijks ten slotte den nadeeligen invloed er van op zijn karakter moest ondervinden. En heel enkelen, die de geschiedenis van Johan en Coco meenden te kennen, haalden de schouders op, als ze hem betrapten, wanneer hij zijn leunstoel voor het opgezette kreupele ding had geplaatst en er lange verhalen en lieve woordjes tegen uitsprak, of met een fijnen plumo het afstofde en de glazen oogen met een zeemen lap opglansde. Johan was een gek, doch overigens een ongevaarlijke, beste kerel, luidde hun oordeel.

En toch was er maar een, die de ware geschiedenis van Johan en Coco kende. Dat was ik. Waarom hij het mij verteld heeft? Ik zou het niet kunnen zeggen. Misschien wel omdat ik nooit een opmerking of een vraag omtrent het opgezette beest heb gedaan, omdat ik het bestaan er van steeds opzettelijk zoo volslagen heb genegeerd, tot mijn schijnbare onverschilligheid hem tot vertrouwelijkheid dreef. Het was een zonderlinge, vreemde geschiedenis, waarmee hij op een goeden avond voor den dag kwam.

Martin Invallen

Sluiten