Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naar hun familie in de verwoeste stad te zoeken. Wij sloten ons bij hen aan. Ben officier gaf brood mee en aan eiken man een harsfakkel, wees ons hoe wij gaan moesten: niet langs de wegen, die onbegaanbaar geworden waren, doch langs de spoorlijn. En toen begon de lange verschrikkelijke tocht. Over het groote grove grind van den spoor dij k, stappend van d war slegger op dwarslegger, ging het langzaam voorwaarts. Dra viel de avond en een heldere maan kwam op. Wij gingen door lange tunnels, galerijen van zes en acht kilometer lang. In het duister was het een wilde jacht om het dichtst bij de fakkel te blijven, om niet te loopen in de slagschaduw van een ander en elk oogenblik te struikelen en hard te vallen over den dwarslegger op de spoorstaven of op het grove grind. Voort jaagden wij terwijl het licht grillig danste langs de gewelven, het roet van het hars aansloeg op de gelaten, die zweetten in de zoele vochtige lucht die er hing. Telkens renden wij — meer dan een uur lang — voort tot eindelijk in de verte een schemer daagde, die allengs grooter werd en grooter, tot wij buiten stonden in den helderen maannacht en beneden ons de nog nawoedende zee in wilde branding met groote zilveren schuimvlokken tegen de steile rotsen te pletter sloeg. Maar dan kwam reeds weer een nieuwe tunnel, werd een versche fakkel opgestoken, begon de wilde ademontnemende jacht opnieuw. En telkens weer, bij den uitgang, als wij even rustten, ontbraken er enkelen, die niet mee hadden gekund, die waren blijven liggen midden in den tunnel. Soms hadden wij hun roepen gehoord, soms hun val, doch niemand had er op gelet, zelfzuchtig mee-rennend met het licht, allen bevangen door de beklemming van de duisternis, van de benauwende beslotenheid der zoele vochtige galerij, die soms even sidderde en telkens ineenstorten kon. Het was een razende, verbijsterende fakkelloop.

Een enkele maal in de duisternis hoorden wij stemmen, ont124

Sluiten