Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Waarnemingsvoorstellingen.

Herinneringsvoórstellingen.

Associatie.

We hebben langzamerhand geleerd, de groote massa van prikkels, die onze zintuigen bestormen en in den beginne een gewirwar zijn van licht- en kleur-, ruimte-, geluid- en andere elementen, op te nemen in complexen vereenigd, en zoo worden ons niet afzonderlijke gewaarw. bewust, maar lijnen, vlakken, lichamen, tonen, melodieën, dus afgesloten vormen en verbindingen, welke wij waarnemingsvoorstellingen noemen.

Het waarnemen wordt gekenmerkt door drie geestelijke processen: i. we betrekken de gewaarw. op dingen buiten ons ^objectiveering); 2. we ordenen ze in de ruimte (localisatie); 3. we ordenen ze in den tijd (temporalisatie).

Elke waarnemingsvoorstelling kan later weer als herinneringsvoorstelling bewust worden; zonder dat de uitwendige prikkels opnieuw behoeven te werken. (

In de hersencellen is een zekere spanning, die t gevolg is van 't verbruik van door 't bloed aangevoerde voedingsstoffen en den afvoer van afvalproducten. Als de prikkel aankomt, in de cel, wordt die spanningstoestand gewijzigd en tegelijk hebben we de gewaarwording.

Men neemt nu aan, dat van deze stoffelijke verandering iets achter blijft, een spoor, dat bij prikkeling van binnenuit de herinnering veroorzaakt; waarschijnlijk zijn dus bij de waarnemingsen de herinneringsvoorstellingen dezelfde hersencellen betrokken.

Het herinneren is altijd mogelijk, zelfs als we iets maar ééns. hebben waargenomen; iets waaraan we in jaren niet dachten, kan plotseling weer bewust worden. Een waarneming, die zeer helder was, heeft echter grooten kans op reproductie.

Het herinneren kan opzettelijk doch ook tegen onzen zin plaats hebben. Soms vervolgen ons allerlei herinneringen, die we gaarne zouden verbannen; ook een heele melodie kan telkens weer in 't geheugen komen zonder onzen wil,

Elke voorstelling heeft de neiging, een of meer andere in 't geheugen te roepen, die er overeenkomst mee hebben, eraan tegengesteld zijn, of er al eens eerder gelijktijdig mee bewust waren. . . , ,

Een klein kind, dat voor t eerst een vleermuis ziet, denkt aan een vogel; bij een reus denken we aan een dwerg, bij *t zien van een stoel aan den naam, bij den eersten regel van een versje aan den tweeden. .

Men noemt de verbinding tusschen deze voorstellingen associatie en onderscheidt nog de logische (overeenkomst of tegenstelling) en de mechanische (gelijktijdigheid). Bij de regels van een versje hebben we opeenvolging, doch van den voorafgaanden regel is nog een herinnering, zoodat we toch. ook hier nog met gelijktijdigheid te doen hebben.

Sluiten